Het Ministerie van Onderwijs droeg in 2005 zijn bibliotheek over aan het Nationaal Onderwijsmuseum. Naast Nederlands onderzoek uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw bevat deze belangrijke boekencollectie ook vroege Amerikaanse en Duitse studies over bijvoorbeeld het voorspellen van schoolsucces, interessetests, beroepskeuzetests en intelligentietests.
De grote invloed van de psychologie op het Nederlandse onderwijsbestel begon niet, zoals vaak wordt gedacht, met de invoering van de Cito-toets (1968). De eerste generaties onderwijsambtenaren hadden namelijk al sinds begin twintigste eeuw grote belangstelling voor de testpsychologie. De vraag is waarom onderwijsambtenaren belangstelling toonden voor de psychologie, destijds een nog jonge academische discipline.
Algemeen geluk
Hoogleraar Gerard Heymans (1857-1930), de grondlegger van de academische psychologie in Nederland, voorspelde in zijn rede De toekomstige eeuw der psychologie (1909) dat zijn vakgebied de verheffing van de mensheid zou betekenen; een wereld zonder onrecht en oorlogsgeweld. Psychologie, zo voorspelde hij, zou de sleutel worden tot ‘algemeen geluk’ en ‘gemoedsrust’.
Voor leerlingen zou dit betekenen dat problemen op het terrein van school- en beroepskeuze, klassengrootte, puberteitsvraagstukken en het geldverslindende ‘aansluitingsprobleem’ (het voortijdig schoolverlaten) – de doorgaande leerlijnen van tegenwoordig – door psychologen opgelost zouden kunnen worden.
Het jaarlijks terugkerende aansluitingsprobleem, leerlingen die in het voortgezet onderwijs zonder diploma afhaakten, kostte de Nederlandse overheid veel geld. Geen wonder dat onderwijsambtenaren naar de voorgestelde oplossingen uit de psychologie keken: ook een eeuw geleden was de onderwijsbegroting een jaarlijks terugkerend probleem.
IQ-test
Jacob Luning Prak (1898-1983), een leerling van Heymans, groeide vanaf de jaren dertig uit tot een van de hoofdfiguren van het psychologiseringsproces. Hij wees het onderwijsveld erop dat de IQ-test het middel was om schoolsucces te voorspellen. Zijn boek Menschen en mogelijkheden (1938) noemde hij een ‘kaart voor stuurlieden’. ‘De inzichten die dit boek tracht te verstrekken zijn van groot belang voor allen, die een leidende functie in de maatschappij vervullen. Speciaal voor de hoofden en directeuren van scholen, de leeraren paedagogiek, de onderwijsinspecteurs.’
Cito-toets
De Amsterdamse hoogleraar psychologie A.D. de Groot (1914-2004), leerling van Luning Prak, introduceerde in 1986 de Cito-toets. Hoe kwam hij op het idee voor deze toets? De Groot reisde met een beurs van het Onderwijsministerie naar de Verenigde Staten om bij de Educational Testing Service van Princeton University de techniek van de achievement-tests (schoolvorderingentests) te onderzoeken. Zijn rapport naar aanleiding van deze Amerikaanse studiereis, Testmethoden ten dienste van het onderwijs (1958), was de blauwdruk van de Cito-toets.
Al vanaf de jaren 80 bezorgt de Cito-toets – tegenwoordig de doorstroomtoets – leerlingen en hun ouders veel stress en spanning, omdat de uitkomst als toekomstbepalend wordt gezien. Veel leerlingen oefenen daarom, vaak in opdracht van hun ouders, voor deze toets. De Groot verbaasde zich over deze ontwikkeling, die hij sterk afkeurde: een toets is immers geen examen, maar een objectieve, psychologische test waarmee gemeten wordt welk vervolgonderwijs het meest geschikt is.
Ook het College voor Toetsen en Examens benadrukt al jaren dat de toets bedoeld is als ondersteuning van het eerder gegeven schooladvies en als hulpmiddel voor een adequate plaatsing in het vervolgonderwijs. Hierin klinkt de echo door van het oude ‘aansluitingsprobleem’.
Kritiek
In de onderwijsgeschiedenis waren er ook psychologen die kritiek hadden op de Nederlandse testcultuur. De Groningse hoogleraar Benjamin Kouwer (1921-1968) waarschuwde zijn vakgenoten al in de jaren vijftig tegen het idee dat tests objectieve waarheden over mensen zouden opleveren: een test was een hulpmiddel, geen instrument waarmee objectief vastgesteld kon worden voor welk schooltype of beroep een kind geschikt zou zijn. Karakter, motivatie, ontwikkeling en sociale omstandigheden veranderen immers voortdurend, zo betoogde hij.
Psychologen konden volgens Kouwer wel behulpzaam zijn bij school- en beroepskeuzes, maar dan in een gelijkwaardig gesprek waarin testresultaten gezamenlijk werden besproken. De uiteindelijke verantwoordelijkheid lag niet bij de test of de psycholoog, maar bij de persoon zelf, aldus Kouwer.
De psychologie, de menswetenschap bij uitstek, was volgens Kouwer blind geworden voor zijn belangrijkste onderzoeksobject: de mens. Voor veel collega’s was hij een nestbevuiler, omdat hij het psychologische praktijkwerk – tests afnemen en adviseren – maar onzin vond. Praktisch niemand pakte zijn boodschap op. Kouwers kritisch overzichtswerk Tests in de psychologische praktijk (1952) ontbreekt in de bibliotheek van het Onderwijsministerie.
Jacques Dane is historicus en hoofd onderzoek en conservator bij het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht. Scan de code voor de online versie met de bronnen.
Bronnen
H. van Boxtel e.a. (red. (2015). Verantwoording Centrale Eindtoets PO Versie 1.1.Utrecht: CvTE, blz. 13.
Jacques Dane. Blind geworden voor zijn belangrijkste onderzoeksobject: de mens In: De Psycholoog 58 (nr. 4, april 2023), blz. 22-28.
Jacques Dane (2018). ‘Onderwijsambtenaren en de testpsychologie.’ In: Pieter Slaman e.a. (red.). In de regel vrij : 100 jaar politiek rond onderwijs, cultuur en wetenschap. Den Haag: Ministerie van OCW, blz. 144-148.
Jacques Dane (2014). ‘Benjamin Jan Kouwer (1921-1968). “Heimwee naar een minder gecompliceerde wijze van bestaan”.’ In: Hilda Amsing en Mineke van Essen (red.). Over professoren. Een halve eeuw psychologie en pedagogiek en sociologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Assen: Van Gorcum, blz. 54-77.
Jacques Dane. De variatie van het verstand. In: Van12tot18 (nr. 5) 2023.
Jacques Dane, ‘De oervader van de Cito-toets. Kinder- en jeugdjaren van A.D. de Groot’. In: LESSEN (jaargang 2, nr. 1) 2008, blz. 12-19 (themanummer: het testen van kinderen).
Jacques Dane (2006). ‘Testen, meten en wegen.’ In: Marjoke Rietveld-van Wingerden (2006). Een buitengewone plek voor bijzondere kinderen. Driekwart eeuw kinderstudies in het Paedologisch Instituut te Amsterdam (1931-2006). Zoetermeer: Meinema, blz. 27-44.
Jacques Dane. ‘De Psycholoog als bemoeial.’ In: NRC Handelsblad, 17-18 april 2004, blz. 46 (Supplement Wetenschap & Onderwijs).
Eric Haas (1995). Op de juiste plaats. De opkomst van de bedrijfs- en schoolpsychologische beroepspraktijk in Nederland. Hilversum: Verloren.
Gerard Heymans (1909). De toekomstige eeuw der psychologie. Groningen: Wolters.
Jeroen Jansz & Peter van Drunen (2004). A social history of psychology. Malden, Mass.: Blackwell Publishing.
Benjamin J. Kouwer (1952). Tests in de psychologische praktijk. Een inleiding in de psychodiagnostiek. Utrecht: Bijleveld.
Rijksoverheid (2026). Toetsen basisschool: verplicht ontwikkeling leerling volgen.
Pieter J. van Strien & Jacques Dane (2001). Driekwart eeuw psychotechniek in Nederland. De magie van het testen. Assen: Van Gorcum.