‘Onrust, gejaagdheid, soms verwarring in den gedachtengang’

Overladenheid vanaf 1806 tot nu

 

De vakken van het lager onderwijs zijn zoo in aantal, dat aan vermeerdering of uitbreiding niet te denken valt: ieder klaagt over intellectualisme en overlading der hersenen, maar als het erop aankomt, om verbetering aan te brengen, wordt gewoonlijk toch weer in het voortgaan op denzelfden weg heil gezocht. - Prof. dr. Herman Bavinck, eerste voorzitter van de Onderwijsraad (1916)

In 2020 kreeg een door het ministerie van OCW ingestelde wetenschappelijke commissie  de opdracht een advies uit te brengen over de vernieuwing van het curriculum voor het primair en het voortgezet onderwijs. Een belangrijk onderdeel van de opdracht van deze curriculumcommissie is aandacht te besteden aan ‘het terugdringen van overladenheid’. Overladenheid? Is dit een nieuw onderwerp op de toch al overvolle agenda’s van beleidsmakers en niet te vergeten leerkrachten en leerlingen?

Overladenheid is een thema dat vanaf het begin van de negentiende eeuw, sinds de invoering van de eerste onderwijswetten (1801, 1803, 1806), steevast opduikt in het brede onderwijsveld. Het is een hardnekkig verschijnsel waarmee elke nieuwe generatie leerkrachten en leerlingen te maken krijgt. Al meer dan 200 jaar zoeken pedagogen en politici naar oplossingen om ‘edubesitas’ te voorkomen. Opvallend is dat er in de analyses en de voorgestelde oplossingen van de afgelopen twee eeuwen een hoge mate van continuïteit te bespeuren is.

Negentiende eeuw – het gevaar van een bedorven geslacht

Door de nieuwe onderwijswetten kreeg de overheid de regie kreeg over het onderwijs; voor die tijd bepaalde de gereformeerde kerk wat er in het klaslokaal gebeurde. Naast kennisoverdracht – lezen, schrijven en rekenen – werd in het negentiende-eeuwse primaire onderwijs de nadruk gelegd op het bijbrengen van beschaving en nationale eenheid. De wet van 1806 bepaalde dat onderwijs voor iedereen toegankelijk moest zijn (met de aantekening dat de leerplichtwet pas in 1901 werd ingevoerd).

Vanaf 1813 verschenen de eerste vastgelegde klachten over overladenheid. Het tijdschrift Bijdragen ter bevordering van het onderwijs en de opvoeding meldde dat ‘de leerling niets grondig leert, alles weer vergeet en de vorming van de leerlingen gevaarlijk tekort schiet’. Een jaar later volgde een duidelijk advies: ‘Men, moet zich echter ook wachten, hen met te veel zaken tevens te overladen. Niets maakt den kinderen het leeren onaangenamer, dan wanneer men hen met te veel belast, en van hen meer vordert, dan zij leveren kunnen. Daardoor wordt ook het doel van het onderwijs het spoedigst verijdeld.’

In zijn onderwijzershandleiding Kort overzigt van de leer der opvoeding (1835) formuleerde de Groningse pedagoog Berend Brugsma kernachtig het gevaar van overlading: ‘het grondige wordt opgeofferd aan het uitgebreide’. Onderwijzer J.C. Meijer sprak in 1849 over ‘versnippering’, een term die anderhalve eeuw later nog altijd voorkomt in onderwijsadviezen en -rapporten: ‘De tijd wordt aan alles te veel versnipperd’ en de schoolvakken kennen ‘eene groote mate van oppervlakkigheid en gebrek aan orde of zamenhang’. Een kwart eeuw later mengde ook de Maatschappij Tot Nut van ’t Algemeen – een vereniging die verheffing en ontwikkeling van samenleving en individu voorstond – zich  in deze onderwijsdiscussie: het bijbrengen van veel kennis in een beperkt tijdsbestek werkt niet; en door het te grote aantal vakken kunnen leerlingen zich niet in een onderwerp verdiepen. Oppervlakkigheid en desinteresse liggen op de loer.

Afbeelding met person, persoon, bril, dragen

Automatisch gegenereerde beschrijving

Jacques Dane

Tezelfdertijd maakten Tweede Kamerleden zich in onderwijsdebatten ook grote zorgen over de Nederlandse leerlingen: teveel lesuren, teveel huiswerk, teveel zaken per vak en het grote aantal examenvakken. Dit alles leidde alleen maar tot vermindering van de resultaten. Het katholieke Kamerlid P.J.F. Vermeulen meende dat het overladen curriculum schade toebracht aan de vorming van de HBS-leerlingen. Hierdoor kweekt men, aldus Vermeulen in 1880, ‘een ziekelijk, zwak, een sceptisch en bedorven geslacht, bedekt door een dun vernis van beschaving, een geslacht van menschen, die nooit in hun leven iets wat werkelijk groot en goed is tot stand zullen brengen’.

Ook de indertijd landelijk bekende pedagoog Jan Geluk liet van zich horen. Hij ontwaarde een discrepantie tussen wat de ‘voortgaande ontwikkeling der maatschappij’ verlangt en wat ‘de geestelijke en lichamelijke krachten der leerlingen’ aankunnen. Geluk wees er in zijn Woordenboek voor opvoeding en onderwijs (1882) op dat het hoofddoel van de school de harmonische ontwikkeling naar geest en lichaam van de leerlingen is, en dat wat met dit doel niet strookt van het leerplan moet verdwijnen. Het voordeel van minder leerstof is ‘grooter grondigheid en vastheid’.

Twintigste eeuw – lichaam en geest lopen gevaar

Naast pedagogen en politici uitten ook medici hun bezorgdheid over de gevolgen van overladenheid. In het Paedagogisch woordenboek (1905) van C.F. Zernike sprak G. Oosterbaan, inspecteur van de Volksgezondheid, zelfs over het ‘ziektebeeld der overlading’, met als kenmerken een slecht uiterlijk, een zwakke, trage geest, slaperigheid, sufheid, vermoeidheid, gebrek aan eetlust en een onrustige slaap. Dit signaleerde hij niet alleen op middelbare en hogere scholen, maar het kwam ook voor bij jongere kinderen.

Rond de eeuwwisseling ging de discussie niet alleen over overladenheid van leerlingen in d