Keuzes die scholen maken

Focus op betekenisvolle invulling

 

Mark-Jan Zwart is bevoegd docent geschiedenis en Nederlands. Hij heeft lesgegeven aan havo- en vwo-leerlingen en geeft momenteel les aan vmbo-leerlingen op een school van de stichting Yuverta. Daarvoor werkte hij elf jaar op een praktijkschool. De draai naar het onderwijs maakte hij pas later, hij is een zij-instromer zoals het onderwijs dat pleegt te noemen. Naast lesgeven volgt hij nog een studie, is hij coach van een brugklas, vakgroepvoorzitter, en is actief lid van de werkgroep taalbeleid en leesbevordering en van de werkgroep didactiek.

Hoe kijkt Zwart naar het onderwerp Overladenheid? Wel, genuanceerd. Overladenheid ontstaat wat hem betreft in de driehoek: kerndoelen en referentiekaders (door de overheid opgesteld), de programma's van toetsing, bevordering en afsluiting (door de vaksecties opgesteld) en de lesprogramma's (voornamelijk door de docent opgesteld). Dat spel moet in de afstemming kloppen. Nu werkt hij net te kort – twee jaar - op deze scholengemeenschap om zijn ervaringen met betrekking tot overladenheid representatief te laten zijn. Zeker omdat het ook nog eens corona-tijd betreft.

Wat hij echter graag in deze discussie brengt en wat voor hem ook te maken heeft met overladenheid of druk: het gebrek aan focus in het programma, interesse bij de leerling en uitdaging in de lesstof. Zwart: “Mijn beide vakken zijn veelomvattend en algemeen van aard. Bij Mens en Maatschappij krijgen de leerlingen in twee jaar een overzicht van de wereldgeschiedenis, zij leren de belangrijkste aardrijkskundige kenmerken van de wereld en denken na over maatschappelijke thema's in historisch-geografisch perspectief. Het vak Nederlands richt zich op alle hoofdvaardigheden van de taal (lezen, luisteren, schrijven, spreken). Leerlingen leren (of herhalen) voornamelijk de leesstrategieën, de woordraadstrategieën en de basale grammatica- en spellingsregels. Maar het vak is in zichzelf een 'leeg' vak. De behandelde vaardigheden zijn vooral bedoeld om in andere situaties en bij andere vakken toegepast te worden.”

Als Zwart dit algemene karakter van de vakken aanvaardt, ervaart hij weinig druk(te) en kunnen de leerlingen, zeker in de onderbouw, de lesstof ook prima aan, zolang hij lesstof en huiswerk zorgvuldig doseert. “Maar,” zegt Zwart, “als ik echter het gebrek aan interesse bij de leerlingen voor mijn vakken en het gebrek aan uitdaging in de lesstof weiger te aanvaarden, ervaar ik wél druk. Hoe kunnen we vanuit interesse en uitdaging focus aanbrengen in de lesstof zonder daarbij de kerndoelen en referentiekaders uit het oog te verliezen? Dit is een grote vraag. Hierover het gesprek aangaan met leerlingen heb ik nooit echt geprobeerd, vooral omdat de tijd hiervoor ontbreekt.”

Druk ervaart hij eveneens als hij erover nadenkt wat ze op school, binnen de vakken, níet doen. “Bij Mens en Maatschappij mis ik bijvoorbeeld vaardigheden als historisch redeneren en onderzoeken. Ik laat mijn leerlingen ieder jaar rond 4-5 mei op www.joodsmonument.nl zoeken naar hun familienaam, straat of woonplaats. Dat brengt de geschiedenis van de holocaust voor hen dichtbij. Bij Nederlands mis ik bijvoorbeeld een uitdagend (creatief) schrijfprogramma. De sollicitatiebrief, de zakelijke e-mail en het artikel zijn te afgezaagd en soms ook irrelevant geworden. Communiceren gaat tegenwoordig op zoveel andere manieren, solliciteren gaat vaak allang niet meer met een brief en wat is precies het nut van het artikel voor de gemiddelde vmbo-leerling? Ik mis ook taalbeschouwing in het schoolvak Nederlands. Hoe steekt taal eigenlijk in elkaar? Ik neem kennis van vernieuwende lesideeën op didactieknederlands.nl. Toch merk ik dat taalbeschouwing in mijn lessen beperkt blijft. Ik probeer bijvoorbeeld nog weleens het verschil tussen stemhebbende en stemloze medeklinkers te gebruiken om spellingswijzen te verklaren. Leerlingen vinden het leuk om hun stembanden in hun keel te voelen trillen, maar de koppeling met spellingsregels blijft nauwelijks hangen.”

Zwart ervaart ook weinig kruisbestuiving tussen de vakken. Hemzelf lukt het moeilijk om die aan te brengen. “Zelfs als ik Nederlands en Mens en Maatschappij aan dezelfde klas geef. Natuurlijk stimuleer ik bijvoorbeeld leerlingen om bij Mens en Maatschappij aandachtig te lezen en op zoek te gaan naar kernzinnen, maar voor uitgeb​reide taalkundige uitstapjes zit het programma te vol. Andersom ook. Als we samen een boek lezen bij Nederlands bespreken we wel eens een maatschappelijk thema, maar ook dan is er te weinig tijd. Het programma gaat door.”

“De hoeveel stof hoeft dus niet per se minder te worden maar hij moet wel relevanter en uitdagender worden. Leerlingen moeten kunnen ervaren dat leren zelf energie geeft.” Hij hoopt dat platforms als didactieknederlands.nl en maatschappelijke projecten als joodsmonument.nl een grotere rol gaan spelen in het onderwijs.

Een belangrijke functie is wat Zwart betreft weggelegd voor de methode. Voor hem én voor de leerlingen geven methoden houvast, vindt hij, ook al is dat onder docenten niet altijd populair om te zeggen. Maar hij heeft ervaren dat het eigen plak- en knipwerk, waarop hij in het praktijkonderwijs vaak was aangewezen, de kwaliteit van de lessen niet ten goede kwam. “Het vertalen van de inzichten van curriculum.nu naar een doordachte methode aangevuld met een vakdidactisch platform zal het leven van de docent een stuk aangenamer en het schoolvak zelf een stuk beter maken.”

Met betrekking tot zijn leerlingen – in het kader van werkdruk - is hij zorgzaam maar niet kinderachtig. “Ik stimuleer mijn leerlingen om vanaf het begin hun huiswerk goed bij te houden, ik controleer dat ook en leerlingen kunnen onder schooltijd er altijd met mij over chatten. Ik kan faciliteren, maar zij moeten het werk doen. Ik vind het goed als middelbare scholen aan leerlingen vanaf het begin duidelijk maken dat het afronden van een schoolopleiding veel tijd en energie vergt. Wij leiden onze leerlingen immers ook toe naar vervolgonderwijs en moeten hun dus studievaardigheden bijbrengen. School vraagt om concentratie, discipline, volhouden en hard werken. Dat geldt voor alle leerlingen. En ik weet ook wel, een groot deel van de lesstof zal nou eenmaal niet direct aansluiten bij de interesses van tieners en veel daarvan zullen zij van nature ook niet als uitdagend ervaren. Voor tieners is leren nou eenmaal vaak een traag, moeizaam en, laten we eerlijk zijn, saai proces. De wortel van onderwijs is bitter, maar zijn vrucht is zoet. Deze wijsheid (van Aristoteles, meen ik) houd ik mijn leerlingen en mijzelf regelmatig voor.”

Afbeelding met tekst, visitekaartje

Automatisch gegenereerde beschrijving

 

Heldere leerlijn en veel keuze voor de leerling

 

Twan Robben en Hanneke Haukes werken beiden als docent Nederlands bij het Kandinsky College in Nijmegen. Zij geven les aan vwo-bovenbouw.

Hun school heeft naar eigen zeggen zeer heldere keuzes hebben gemaakt in de leerlijn en biedt daarnaast de verschillende domeinen van het schoolvak in samenhang aan. Er wordt gedacht over leerjaren heen en achter elk project zit een duidelijke didactische en pedagogische visie. Dat neemt druk door een overbelast curriculum weg. Anders dan Mark-Jan Zwart schetst, gebruiken Robben en Haukes de methode vooral als naslagwerk en als een mogelijkheid om extra oefeningen aan te bieden voor leerlingen die dat nodig hebben.

Robben en Haukes: “We ervaren wél druk bij het volbrengen van het curriculum daar waar het aanleren van vaardigheden betreft. Twee uur Nederlands is gewoonweg te weinig voor een grote groep leerlingen om ze werkelijk adequaat toe te rusten. Dan gaat het met name om lees- en schrijfvaardigheid.” Hun vak zou zonder meer mooier worden, wanneer er een doordachte leerlijn is met een voorstel voor lesinhouden waarin veel vrijheid en keuzes voor docent en leerling mogelijk zijn, meer gepersonaliseerd. “Nu proberen we er invulling aan te geven door leerlingen ook buiten lestijd de mogelijkheid te geven met ons af te spreken zodat we meer tegemoet kunnen komen aan de eigen leerwensen. Verder organiseren we meer atelierachtige lesmomenten waarin leerlingen frank en vrij met ons kunnen spreken over zinvolle en persoonlijke invullingen van opdrachten. Of om met ons te overleggen als ze vastlopen in het denk- en vervaardigingsproces op een manier die betekenisvol voor henzelf is.”

De covidperiode leerde overigens wel dat de rol van docent daarbij behoorlijk leidend is. “Toen wij als docent door online- en hybride lessen wat meer op een afstand kwamen te staan, ontstond er wel meer stress bij leerlingen over af te handelen onderdelen bij het vak Nederlands.”

Belangrijk is ook dat het voor iedereen duidelijk is wat er bereikt dient te worden. Robben en Haukes: “Wanneer je goed voor ogen hebt, je helder voorgespiegeld wordt, wat een minimumniveau is waaraan leerlingen dienen te voldoen, en hoe dat er concreet in door hen gefabriceerde producten uitziet, dan is er tegelijkertijd eindeloos veel (meer) mogelijk om prachtige (Neerlandistieke) inhoud in je curriculum op te nemen. Wellicht ten overvloede: de ontwikkeling van vaardigheden binnen ons vak gaat alleen optimaal als er aansprekende inhoud is waaraan die vaardigheden zich kunnen ontwikkelen. Naar die elementen, die prikkelen, verdiepen, betekenis geven, de geest scherpen, moet je als docent(enteam) voortdurend zoeken.”

Verder zien Robben en Haukes de waarde van hun formatieve aanpak. “We stimuleren leerlingen te kijken naar hun ontwikkeling en we wijzen er voortdurend op dat eigenlijk steeds mogelijkheden zijn opdrachten beter of anders te doen. Dat leidt in onze ogen tot een ontspannen werkomgeving waarin veel leerlingen veel durven en laten zien.”

Delen: