‘Het belangrijkste is de cultuur waarin iedereen bereid is om iets doen voor die leerling’

Het Kandinsky College in Nijmegen is een school voor mavo, havo, atheneum en gymnasium. De school biedt onderwijs aan ongeveer 1400 leerlingen, een diverse schoolpopulatie, tweetalig voor iedereen die dat wil, en in de glazen prijzenkast liggen de bewijzen van 5 jaar excellentie op rij. De overgang naar passend onderwijs kon door de school vrij moeiteloos worden opgevangen. Maar dat gaat niet vanzelf.

Zorgen voor leerlingen is een zaak van iedereen. Van de leraar in de klas tot en met de bestuurders in het samenwerkingsverband. Dit is het uitgangspunt waaraan alle betrokkenen zich committeren en op het Kandinsky College is dat geen holle frase. De school zet sterk in op het voorkomen van problemen. En als zich toch problemen aandienen is de opdracht: betrokken zijn, oplossingsgericht denken en op maat handelen. Men heeft goede afspraken met het zorgteam en weet zich ingebed in een samenwerkingsverband dat de zaak op orde heeft.

Positive Behaviour Support
Een grote rol in de preventieve benadering is weggelegd voor PBS. Ongeveer 10 jaar geleden, lang voor de Wet passend onderwijs van kracht werd, besloot de school om te gaan werken volgens de principes van (Schoolwide) Positive Behaviour Support, kortweg PBS. PBS is een manier van samen leven en samen leren waarin een positief en veilig schoolklimaat centraal staat. Dat wordt onder andere bereikt door duidelijk te zijn over gedragsverwachtingen, door leerlingen in staat te stellen gewenst gedrag ook te leren, en door vooral positief gedrag te bekrachtigen. Iedere medewerker van de school - leraar, conciërge, pleinwachten en zelfs de stagiaires - wordt getraind in deze manier van werken. PBS is de kleur van de school en raamwerk van ieders handelen.

Dorothé Hazenberg is zorgcoördinator en Kim Verstappen is docente biologie & science en mentor van de tweejarige brugklas mavo-havo. Dorothé Hazenberg: ‘We hebben na al die jaren een goed werkend systeem van voorzieningen en interventies. De basis daarvan ligt in het klaslokaal, bij de leraar en bij de mentor. Dat is de plek die we zo goed mogelijk willen inrichten zodat alle leerlingen komen tot leren. Dus veel aandacht voor structuur, voorspelbaarheid en veiligheid, want daar heeft ieder leerling baat bij. En als er iets extra’s nodig is voor bepaalde leerlingen, dan proberen we eerst een manier te vinden om dat in de klas voor elkaar krijgen.’ Dorothé Hazenberg laat overzichtelijk uitgewerkte schema’s zien waarin duidelijk wordt waar ieders primaire verantwoordelijkheid ligt en welke stappen genomen kunnen worden als er meer kennis of ondersteuning nodig is.

Vroeger konden docenten nog wel eens zeggen: die leerling hoort gewoon op het speciaal onderwijs. Dat hoor je nu echt niet meer.

Kim Verstappen

Kim Verstappen is pas enkele jaren mentor. In haar begintijd trok ze voortdurend samen op met iemand van het zorgteam. En nog steeds heeft ze regelmatig gesprekjes met haar collega. ‘Ik heb op die manier erg veel geleerd, ik kan nu veel meer zelf oplossen en de lijnen naar het zorgteam zijn kort. We vinden het belangrijk dat we steeds samenwerken, dat er geen eilandjes ontstaan.’ Dat PBS zo sterk in de school aanwezig is, zorgt ervoor dat ze zich erg ondersteund voelt in haar mentoraat. ‘Het zorgt voor duidelijkheid, dat is goed voor alle leerlingen. En de opdracht om gericht te zijn op het positieve zorgt ervoor dat de leerling zich gezien voelt. Erg belangrijk.’

Een vol takenpakket
De gerichtheid op de klas als basis en de mentor als eerste verantwoordelijke betekent dat er bij Kim veel op het bordje ligt, ook als het gaat om leerlingen die meer ondersteuning nodig hebben. Voor een visueel gehandicapt meisje in de klas is er een vaste klassenplattegrond en specifieke verzorgingsrichtlijnen. Dat geldt ook voor een leerling met diabetes. Een leerling met autisme weet dat hij of zij van een time-out gebruik kan maken, of van extra tijd. Met sommige ouders en leerlingen zijn al voor de komst naar de brugklas afspraken gemaakt over wat het beste werkt. Kim Verstappen: ‘Maar ik kan terugvallen op een structuur. Alle docenten zijn op de hoogte van extra ondersteuningsafspraken, alle leraren handelen daarnaar. Is het nodig om hulptroepen te mobiliseren? Dan komt er iemand van het zorgteam meedraaien om te kijken waar de oplossing zou kunnen zitten. De leerlingen weten ook dat de school allerlei voorzieningen heeft, en het komt voor dat ze zelf vragen om een overleg met iemand van het zorgteam. Of dat ze komen vertellen dat ze zich zorgen maken om een medeleerling.’ Hulp bij planproblemen, inmiddels beproefde modules voor bepaalde schoolse vaardigheden, goed en tijdig overleg met ouders, een goed werkend dyslexie protocol, de basis is op orde.

Soms heeft een leerling meer nodig dan een mentor kan regisseren. Dan zorgt het zorgteam voor die regie. Zo is er de leerling met flinke angstproblemen, die niet meer naar de les durft. Of een andere leerling met serieuze depressieklachten. Dan spreekt de school met de ouders, met de schoolarts en zoekt men naar oplossingen. Het angstige meisje komt nu wel elke dag bij Dorothé om even op te schrijven hoe het ging en samen terug te kijken. De school heeft ook een stilteruimte waar leerlingen kunnen werken die op dat moment niet functioneren in de klas. Dorothé Hazenberg: ‘We zijn altijd op zoek naar: wat heeft het kind nodig, wat kan het kind wél, en waar moeten wij een mouw aan passen? We gaan daarin best ver. We bieden soms een leerling een ander rooster aan, minder uren als het niet anders gaat, een vak dat iemand niet hoeft te volgen, of de mogelijkheid voor iemand om de toets een keer mondeling te maken omdat hij het wel weet maar het niet op papier krijgt.’

Invoering passend onderwijs

De invoering van passend onderwijs in 2014 heeft op het Kandinsky College niet gezorgd voor grote verschuivingen. De school had immers al een sterk inclusief karakter. En als de school zelf geen oplossing kan vinden, is daar het samenwerkingsverband en de begeleider passend onderwijs (voorheen de ambulant begeleider). Dorothé Hazenberg: ‘En ik moet zeggen, in Nijmegen hebben we dat gewoon goed geregeld. In de periode dat het samenwerkingsverband en het voorzieningenaanbod tot stand kwamen, hebben we er met z’n allen ook echt over nagedacht: waar zitten bij ons blinde vlekken? Waar zitten gaten in ons aanbod? Zo kwamen we bijvoorbeeld tot de conclusie dat we eigenlijk weinig boden aan hoogbegaafde leerlingen met een forse ondersteuningsbehoefte. Op een andere school is daar nu een aparte klas voor ontwikkeld. Verder hebben we het Flex-college als tijdelijke plek voor leerlingen, met een reboundvoorziening, met een huiskamer/angstklas, examenklas en de maatwerkbegeleiding van Eigenwijs. We zijn echt gekomen tot een sluitend aanbod: er is voor ieder kind een plek.’

En die plek is toch bij voorkeur op de gewone school. Kim Verstappen: ‘Weet je, ook voor de persoonlijke ontwikkeling van een kind is het fijn om tussen leeftijdsgenootjes te zitten, in een gewone klas, om daar vrienden te kunnen maken. Ze kunnen zo veel supergoed. Het is zo belangrijk om dat te zien en te belonen, dat is hoe onze school kijkt.’ Zeker, het vraagt veel van docenten en het is daarom zo fijn als de school daar een sterke organisator in is. ‘Het zorgteam informeert ons voortdurend over noviteiten en mogelijkheden. Zijn er meerdere leerlingen met een nieuw soort ondersteuningsvraag, dan is dat vaak aanleiding om een scholing voor iedereen te organiseren. Zo zijn we ons nu aan het buigen over groepsdynamica, naar aanleiding van een groep waarmee het niet lekker ging. Maar het belangrijkste is de cultuur waarin iedereen bereid is om iets voor die leerling te doen. Vroeger konden docenten nog wel eens zeggen: die leerling hoort gewoon op het speciaal onderwijs. Dat hoor je nu echt niet meer.’

Het kan maar het gaat niet vanzelf
Dat niet iedere school in Nederland vrij geruisloos is overgegaan naar een nieuwe situatie onder de Wet passend onderwijs vinden Kim Verstappen en Dorothé Hazenberg overigens niet gek. ‘Wij praten vanuit een school met een doorleefde PBS-cultuur, met een directie die vierkant achter ons staat en veel faciliteert, in een samenwerkingsverband dat actief meedenkt. Je moet als school en regio echt wel veel doen om je zaken op orde te hebben én te houden. Als je dat goed doet – en dat kan wel – is het voor alle betrokkenen ontzettend fijn. Maar als je dat allemaal niet hebt, ga er dan maar eens aan staan. Het is niet niks.’

De samenleving wordt er ook niet gemakkelijker op. De druk vanuit thuis kan groot zijn, zo ook vanuit de leeftijdsgroep met alle sociale media. Het rijtje is inmiddels wel bekend. Dorothé Hazenberg: ‘Wat ik vaak moeilijk vind is leerlingen met heftige thuissituaties. Leerlingen die hier komen en met wie het niet goed gaat. Het is haast kansloos om dan te zeggen: ga maar zitten en je concentreren. Zo’n kind moet zich eerst veilig voelen.’

Kim Verstappen is nog altijd bezig om haar repertoire uit te breiden. Ze wil nog meer zelf kunnen oplossen in haar klas. Overigens werkt een klasomvang van 30 leerlingen daar niet aan mee. ‘Dat is gewoon erg pittig. Je wilt iedere leerling de begeleiding geven die nodig is, en de ‘gewone’ leerlingen hebben ook aandacht nodig… een klas van 25 zou echt veel werkbaarder zijn. Maar goed. Als je het goed kunt doen voor de leerling en voor de ouders, en een leerling gaat hier uiteindelijk weg met zijn diploma en de herinnering aan een fijne schooltijd, dan is dát onze beloning. Dat is supergaaf.’

Dorothé neemt het slotwoord. ‘Ik heb vertrouwen in de jeugd, ik heb vertrouwen in hun flexibiliteit. En ik ben trots op mijn school. We hebben een fijne cultuur en we doen het samen.’

Lees meer over SWPBS op https://www.swpbsnetwerk.nl/

Delen: