Behoedzaam beginnen bij het begin

Hoe bevorder je het gesprek over goed leraarschap?

Sinds vorige zomer buigt een groepje leraren voortgezet onderwijs (zie kader) zich over de vraag hoe je vo-collega’s in gesprek krijgt over de vraag wat goed leraarschap is en wat goed onderwijs. Het antwoord op die vragen vormt het referentiekader voor een oordeel over grote kwesties als bevoegdheden en curriculum. Dat die laatste nu even geparkeerd zijn, betekent immers niet dat ze uit de wereld zijn geholpen. Ooit komen ze weer op de agenda en dan is het zaak niet als losse individuen of organisaties te reageren, maar als beroepsgroep.

 

 

Het idee om na de verschijning van De bril van de leraar in oktober 2019 een aantal gesprekken te organiseren over de beroepsidentiteit en beroepsgroepvorming van de leraar vo, viel door corona uiteraard in het water. Pas eind augustus 2020 vond een eerste gesprek plaats en dan nog in kleine kring. Maar dank zij dat gesprek ontstond wel een werkgroep die de vorming beoogt van een netwerk dat als een denktank leraren vo fungeren kan. De kerngroep bestaat uit vier leraren: Desiree Berendsen (docent filosofie, coördinator scholing & ontwikkeling Corderius College Amersfoort); Erik Ex (leraar geschiedenis Cygnus Gymnasium; columnist Trouw); Harm Tiggelaar (docent filosofie Gymnasium Amersfoort JvO; voorzitter Platform VVVO); Jasper Rijpma (docent grote denkers, geschiedenis en aardrijkskunde Hyperion Lyceum). Secretariële ondersteuning verleent voorlopig Pieter Leenheer (auteur van De bril van de leraar en de stripbundel Collega’s!).

 

Vooralsnog lijkt het er echter op dat de gemiddelde leraar zo’n gesprek over goed leraarschap niet bijzonder dringend vindt. Voor een deel natuurlijk doordat de beroepsgroep in de loop van de voorbije decennia zijn greep op het vak is kwijtgeraakt en het idee heeft dat het toch allemaal niks uithaalt. Nu is die geschiedenis al vaker beschreven, maar sinds het rapport van de Commissie Van Dam over de toeslagenaffaire hebben we er nog wel weer een interessante invalshoek bij. Wat het onderwijs is overkomen, past in het algemene patroon dat politiek en overheid al jaren onvoldoende oog hebben voor uitvoeringscapaciteit. De publieke sector krijgt geregeld opdrachten erbij zonder dat serieus gekeken wordt of het er wel bij kan. En omdat vrijwel iedereen in de publieke sector in eerste instantie het belang van de cliënt, patiënt of leerling op het oog heeft, gedragen de uitvoerders zich loyaal en proberen er dan maar het beste van te maken.

Maar juist daardoor komt een lelijke constructiefout in het systeem niet gauw op de agenda. De samenleving levert voortdurend suggesties voor onderwijsverbetering aan en die, aldus René Kneyber en Dorien Zevenbergen een paar jaar geleden in De sluipende crisis, stromen in de vorm van Kamervragen, raadsvragen en moties regelrecht binnen bij de beleidsafdelingen van de verschillende overheidsinstanties en worden vervolgens opgepakt door een groot aantal andere betrokken instanties en adviesbureaus. Dit resulteert in een uitgebreid sturingsnetwerk dat scholen bestookt met nieuwe initiatieven, terwijl die scholen alle verwachtingen nooit kunnen waarmaken.

Wat het onderwijs is overkomen, past in het algemene patroon dat politiek en overheid al jaren onvoldoende oog hebben voor uitvoeringscapaciteit.

Pieter Leenheer

En dat is behoorlijk riskant. Door de vraag naar wat het onderwijs vermag niet in samenhang te beoordelen – dus in relatie tot alle andere opdrachten, tot het budget – blijven we uiteindelijk met een dure rekening achter. Wat in ons systeem ontbreekt, is een mechanisme, een cultuur die aanzet tot het opmaken van de balans: kunnen alle wensen en eisen naast elkaar bestaan? Wat heeft het onderwijs daar allemaal voor nodig? Geld, tijd, expertise? En is dat er eigenlijk wel?

Beroepsbeeld

Nu zou je kunnen zeggen dat dat een kwestie van arbeidsvoorwaarden is. Maar ook de strijd daarvoor vooronderstelt een gedeeld beroepsbeeld, een breed gedeelde visie op leraarschap en onderwijs waarmee je de buitenwacht duidelijk kunt maken wat er nodig is om alle opdrachten te realiseren. En op dat punt valt vooralsnog het nodige te doen in het vo. In maart van dit jaar publiceerden Thijs Roovers en Jan van de Ven Leraar durf te claimen!, een levendige ontstaansgeschiedenis van Po in actie en het Lerarencollectief. Hun boek opent met een uitgebreid interview met Jelmer Evers en René Kneyber waarin zij terugblikken op wat hun boek Het Alternatief. Weg met de afrekencultuur in het onderwijs! uit 2013 teweeg heeft gebracht. En dat is best wel wat, vinden ze, maar eerder op verschillende beleidsniveaus dan bij de leraar. Die laatste kwam, verzuchtte Kneyber indertijd al in Het Alternatief II, niet in beweging. En dat ligt, oordeelt hij in Leraar durf te claimen!, aan het gegeven dat voor veel leraren leraarschap lesgeven is en anders niks. Dat is misschien een te negatieve beschrijving van het doorsnee beroepsbeeld. Het zit hem eerder in wat je de verleiding van de gelukkige klas kunt noemen. Waar een beetje leraar energie van krijgt, is immers het werken met leerlingen in een ruimte waarin je de boze buitenwereld kunt negeren.

Maar als je het daarbij laat, gedraag je je niet als de professional die je zou moeten zijn. Althans, zo wil de theorie het. Want volgens de boekjes dragen professionals niet alleen verantwoordelijkheid voor uitvoering, maar ook voor de ontwikkeling van hun beroep. Al is het maar door je steeds goed te informeren. Alleen moet je dan wel het gevoel hebben dat je indertijd toegetreden bent tot een beroep en dat is niet zoals menig leraar dat ervaren heeft. “Ik had zelf”, merkt Evers op in Leraar durf te claimen!, “niet het idee dat ik toetrad tot een beroep toen ik mijn diploma kreeg”. En hij zal niet de enige zijn. Op dat punt zitten trouwens lerarenopleidingen natuurlijk in een ongemakkelijke positie. Ze vormen de poort naar het beroep, dus voor de inrichting van de opleiding zouden ze terug moeten kunnen vallen op een beroepsbeeld dat de beroepsgroep geformuleerd heeft. Bij gebrek aan zo’n aanspreekpunt moeten ze evenwel noodgedwongen dan maar zelf iets formuleren. Vandaar dat de bijdragen in de begin vorig jaar verschenen driedelige artikelenbundel Leraar: een professie met perspectief geschreven zijn door lerarenopleiders, onderzoekers en enkele adviseur. Die artikelen bevatten zeker veel behartigenswaardigs. Maar ze vormen geen beschrijving van een beroepsbeeld van de beroepsgroep.

Professie en professional anno 2021

Wat zou onder de huidige omstandigheden een adequaat beroepsbeeld kunnen zijn? De ondertitel van Leraar durf te claimen! luidt Hoe we samen ons prachtvak heroveren. Als actieleus is daar niks mis mee. Maar Roovers en Van de Ven kunnen dat natuurlijk onmogelijk letterlijk bedoelen. Het leraarschap is geen klassieke professie waarvan de leden de standaarden vaststellen en de toegang tot het beroep reguleren. Leraren werken in de publieke sector en dus heeft de overheid een fikse stem in de kaders. Bovendien zijn daar met de decentralisering en managerialisering van de jaren tachtig en negentig de besturen en de schoolleiding nog eens bijgekomen. Willen leraren in de zo ontstane driehoek een stem hebben, dan zullen ze om te beginnen een breed gedeeld beeld moeten ontwerpen van het wat, waarom en hoe van hun vak. Tegelijkertijd zullen ze moeten leren leven met de ongemakkelijke kanten van hun publieke professie. Ze moeten niet zozeer vanuit een bepaald schoolvak denken, maar vanuit het curriculum. En bereid zijn tot wat in de literatuur trade offs heet, oftewel compromissen.

 

Netwerk

Terug naar René Kneybers verzuchting dat de leraar vo maar niet in beweging wil komen als het erom gaat als beroepsgroep te opereren in de onderwijspolder. Leraar durf te claimen! beschrijft heel mooi de klassieke manier waarop dat kan gebeuren: onvrede over arbeidsvoorwaarden groeit uit tot een actiegroep met een formidabele achterban, een staking leidt er vervolgens toe dat die actiegroep als vakbond gaat opereren, daarbij ontdekken de voorlieden dan dat hun achterban eigenlijk nergens meepraat als het om de inhoud van het vak gaat, en dat brengt ze op het idee om los van die vakbond een beroepsvereniging op te richten. Dat gaat vrij soepel doordat de geestdrift van ‘Po in actie’ nog doorwerkt. Maar zoals te verwachten viel, verloopt de verdere uitbouw geleidelijk langzamer doordat onvermijdelijk het urgentiegevoel wegebt.

Voor het vo ligt het allemaal nog lastiger. ‘Vo in actie’ heeft uiteindelijk weinig effect gesorteerd, dus is er vooralsnog ook geen met het po vergelijkbaar startpunt om de beroepsgroep op één lijn te krijgen. De kansrijkste strategie lijkt daarom een netwerk op te bouwen waarin je niet alleen bestaande organisaties van leraren, maar ook informelere groepen en individuen verbindt. In dat kader is het denktankgroepje begonnen aan een verkenning: hoe belangrijk vinden leraren eigenlijk het gesprek over goed onderwijs en goed leraarschap? Hoe vaak praten ze over dat soort dingen en waar dan wel? En gesteld dat je dat gesprek belangrijk vindt: hoe breng je het op gang? Die vragen zijn, samen met een begeleidende brief en – ter gedachtebepaling – een voorzet voor een beeld van goed leraarschap verspreid onder lerarenorganisaties en een aantal individuele leraren. Op het moment dat ik dit schrijf, hebben we nog lang geen compleet beeld, maar wel een eerste indruk dank zij een peiling via TeacherTapp, waaraan ruim 250 leraren vo deelnamen. Ik volsta met een summiere schets.

Meer dan 90% van de respondenten vindt het gesprek over onderwijs belangrijk tot zeer belangrijk en bovendien noodzakelijk voor versterking van de beroepsgroep. En zeker gerekend de werkdruk voeren zij het betrekkelijk vaak: rond de 40% wekelijks, eenderde maandelijks en slechts een kwart hooguit een paar keer per jaar. Wel is het de vraag of deze uitkomsten representatief zijn voor de hele beroepsgroep leraren vo. Dat geldt trouwens ook voor de antwoorden op de vraag waar dat gesprek plaatsvindt. In 2018 merkte Ton van Haperen Het bezwaar van de leraar op dat dat gesprek überhaupt niet plaatsvindt. ‘Leraren praten over van alles met elkaar. De falende directie. De lastige kinderen. De zeurende ouders. Maar ze praten zelden over de moeilijke dingen in hun vak, wat je daarover kunt lezen.’ (Het bezwaar van de leraar p. 180)

En met die observatie staat hij zeker niet alleen. Maar de TeacherTapp-respondenten oordelen anders: dat gesprek voer je (afgezien van nascholing, studiedagen en online) juist vooral in de personeelskamer. Wellicht komt dat doordat ze vooral tot de voorlopers en early adopters behoren. Aan de andere kant lijken hun antwoorden op de vraag hoe je het gesprek op gang brengt, wel weer representatief voor de beroepsgroep. Dat moet namelijk vooral dichtbij het dagelijks werk plaatsvinden: door te praten met collega’s op school of bij nascholing, door met collega’s onderwijs te ontwikkelen of door op sociale media te discussiëren.

In het kader van dit artikel, ten slotte, stemmen uitkomsten zoals de laatste wel tot nadenken. In de beleving van de TeacherTapp-respondenten spelen bonden en vakinhoudelijke verenigingen een bescheiden tot zeer bescheiden rol als plek voor het gesprek over goed leraarschap, laat staan als vertegenwoordiger van de beroepsgroep in de nationale onderwijsdialoog. En ook daarin zouden ze wel eens niet alleen kunnen staan. Dat is dan echter wel een probleem als het gaat om de stem van de leraar in de onderwijspolder. Dat zal onvermijdelijk geen zaak zijn van directe, maar veeleer van vertegenwoordigende democratie. Dat vergt niet alleen vaardige voorlieden, maar ook een achterban die oog heeft voor het algemeen belang. Maar goed, dat is een zaak die uitgebreid aan de orde zal moeten komen in het netwerk waarover het hierboven ging. En wil dat netwerk gehoord kunnen worden, dan zullen we massa moeten maken. Voor wie daarvan meer wil weten en/of steun wil betuigen aan onze poging, ten slotte onze contactgegevens: Denktank Leraren vo, [email protected].

Pieter Leenheer publiceerde in 2019 De bril van de leraar. Centrale stelling daarin: leraren voortgezet onderwijs hebben geen stem in de nationale onderwijsdialoog doordat zij niet beschikken over een gedeelde beroepsidentiteit. De Denktank Leraren vo waarvan hij deel uitmaakt, beoogt het gesprek daarover op gang te brengen. Lees ook op Teacher Tapp: https://nl.teachertapp.com/2021/03/een-sterke-beroepsgroep/

 

Haperen, A. van (2018). Het bezwaar van de leraar. Amsterdam: AUP

Kneyber, R. en Evers, J. (2013). Het Alternatief. Weg met de afrekencultuur. Amsterdam: Boom

idem (2015). Het Alternatief II. De ladder naar autonomie. Culemborg: Phronese

Kneyber, R. en Zevenbergen, D. (2018). De sluipende crisis. Waarom het onderwijs niet beter wordt. Culemborg: Phronese

Leenheer, P. (2019). De bril van de leraar. Over de beroepsidentiteit van de leraar in het voortgezet onderwijs. Culemborg: Phronese

Roovers, Th. en Van de Ven, J. (2021). Leraar durf te claimen! Hoe we samen ons prachtvak heroveren. Huizen: Pica

Marco Snoek e.a. (2020). Leraar: een professie met perspectief. Een veelzijdig beroepsbeeld. Meppel: Ten Brink Uitgevers

Delen: