De ervaringen van docent Nederlands Anja Kruithof en geschiedenisdocent en communicatietrainer Daphna van Zoeren laten zien hoe waarheidsvinding in de klas vorm kan krijgen zonder dat de docent zelf de waarheid in pacht hoeft te hebben. Voor Anja is de waarheidsvraag al langer onderdeel van haar professionele én persoonlijke leven. Ze werkte jarenlang als docent godsdienst en geeft nu Nederlands op het vmbo. ‘Vanuit het vak godsdienst ben ik altijd al bezig geweest met de vraag naar waarheid,’ vertelt ze. ‘Als je verschillende religies naast elkaar zet, kom je automatisch bij de vraag: wat is dan waar?’

Tegelijkertijd ziet ze in de klas een nieuw probleem ontstaan. ‘Door social media zie je dat leerlingen veel informatie klakkeloos aannemen. Het staat op internet, dus het zal wel waar zijn.’ Juist daar wringt het. ‘Leerlingen hebben vaak nog niet de ervaring en achtergrondkennis om informatie te wegen. Ze doen dat gewoon niet uit zichzelf.’ Daarom ziet zij het als een opdracht aan het onderwijs om leerlingen gereedschappen aan te reiken. ‘Het is belangrijk dat je ze handvatten geeft: hoe kun je zelf kijken wat waar is? Welke vragen stel je? Wie zegt dit, en waarom?’

Ook voor Daphna is kritisch nadenken over de waarheid een rode draad, die begon in de trainingswereld. ‘Als trainer krijg je voortdurend te maken met hypes. Dan verschijnt er weer een kleurenmethode om mensen mee te typeren, dan weer een boek waarin staat dat je eigenlijk niets leert in een klaslokaal.’ Die claims nam ze nooit zomaar aan. ‘Ik vond het altijd al interessant om te onderzoeken: waar is dit op gebaseerd?’

Concrete voorbeelden

In de klas gebruiken beide docenten verhalen en concrete voorbeelden. Daphna geeft soms een voorbeeld uit een ander tijdvak om iets in onze tijd te illustreren. Dat schept afstand en ruimte voor het gesprek. Daarbij geldt wel altijd dat het heel concreet moet zijn. ‘Het werkt alleen maar als het direct met hun eigen leven te maken heeft.’ Pas wanneer leerlingen zichzelf in een voorbeeld herkennen, ontstaat ruimte om te abstraheren. 

Anja werkt vooral met teksten en perspectieven. ‘Kijk naar verschillende bronnen over één onderwerp,’ adviseert ze. Door verschillende teksten naast elkaar te leggen, ontdekken leerlingen dat waarheid vaak samenhangt met positie, context en belangen.’

De vraag of je wel voldoende van een onderwerp weet kan een drempel zijn. Toch staat of valt het leren van leerlingen niet met kennis. Daphna: ‘Het gaat er niet om dat jij als docent alle kennis en de waarheid in pacht hebt. Het gaat erom dat je je leerlingen voordoet hoe je reflecteert.’ 

Anja sluit zich daarbij aan, maar wijst ook op de grenzen van de rol van de school. ‘Ouders zijn de eerste opvoeders,’ zegt ze. ‘Zij hebben een grote verantwoordelijkheid. Als leraar stopt je verantwoordelijkheid bij de schoolmuren.’ Tegelijkertijd ziet ze wel degelijk ruimte voor gesprek. ‘In mentoruren of in de klas kun je het gesprek aangaan over wat leerlingen geloven en waarom.’

Wat is nou waar?

Wat is nou waar?

Het boek Wat is nou waar? van Rik Peels en Jeroen de Ridder biedt zeven regels om helder te denken in verwarrende tijden. Het genoemde webinar werd georganiseerd door Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs.

Meerdere perspectieven

Dat gesprek is volgens beiden cruciaal. Wanneer leerlingen uitspraken doen die sterk beïnvloed zijn door hun thuissituatie, probeert Anja niet te corrigeren, maar te openen. ‘Ik ga het gesprek aan en laat leerlingen met elkaar praten. Dan ontdekken ze dat er thuis heel verschillend wordt gedacht. Leerlingen denken vaak dat wat zij thuis gewend zijn, overal zo is. Door andere perspectieven te horen, gaan ze beseffen dat hun waarheid niet de enige is.’ Daphna ziet de school juist als dé plek waar dat gebeurt. ‘De klas is bij uitstek een omgeving waar je meerdere perspectieven naast elkaar kunt leggen, zonder dat je zelf een positie hoeft in te nemen.’ 

Emoties

Kritisch denken aanleren, vraagt ook iets van de docent zelf. Anja beschrijft dat als een continu proces. ‘Ik lees veel, zowel romans als wetenschappelijke boeken. Ik lees altijd kritisch: welke invalshoek wordt hier gekozen? Wat is de achtergrond van de schrijver? Wat wil die bereiken? Zo vorm ik mijn eigen mening. En ook in gesprekken met collega’s stel ik vaak de vraag: is dat wel waar? Waar baseer je dat op?’ Daphna herkent dat. Ze werkt daarnaast met een eigen strategie. ‘Als ik een nieuwsbericht lees en ik voel veel emotie – boosheid of angst – dan is dat voor mij juist een signaal om verder te kijken.’ Emotie is voor haar een aanwijzing dat kritisch onderzoek nodig is. ‘Dan ga ik bewust op zoek naar een andere stem, een ander perspectief.’ 

Die aanpak ziet Daphna ook als kans voor het onderwijs. ‘Leerlingen identificeren zich vaak sterk met hun emotie: als iets je boos of bang maakt, dan móét het wel waar zijn.’ Juist daar kan de school iets betekenen. 'Je kunt leerlingen leren om emoties te herkennen en als aanleiding tot onderzoek te beschouwen. Wat maakt dat ik hier zo boos of bang van word en wat zou de boodschapper daarmee willen bereiken? Emoties kun je zo inzetten om kritisch te denken.' 

Intellectueel bescheiden

Daphna kiest vooral voor voorbeeldgedrag. ‘Het is belangrijk dat je zelf laat zien als docent dat jij durft te twijfelen. Je mag ook zeggen: ja, ik weet het eigenlijk niet.’ Daarmee laat ze leerlingen zien dat weten niet altijd vanzelfsprekend is en dat twijfel een normale stap in leren en denken is. Ze las het boek Wat is nou waar? van Rik Peels en Jeroen de Ridder en nam – net als Anja – deel aan een webinar over het boek (zie kader). In het boek wordt gesproken over intellectuele bescheidenheid. Dat helpt Daphna in de klas ruimte te maken voor twijfel. ‘Als je laat zien hoe jij dat zelf doet, laat je de houding zien die je heel graag aan leerlingen wilt overdragen.’

Onderwijsdoel

Anja en Daphna kijken nuchter naar het oefenen van waarheidsvinding in het voortgezet onderwijs. Het gaat om het aanleren van denkgewoonten en leren twijfelen zonder relativistisch te worden. ‘Het gaat er om dat je laat zien hoe je kunt denken,’ merkt Daphna op. Leerlingen leren door te ervaren hoe lastig het is. ‘Leerlingen hoeven niet alles meteen te weten, maar ze moeten wel leren hoe ze kunnen nadenken over wat ze tegenkomen,’ vat Anja samen. Daphna vult aan: ‘Als je leerlingen leert reflecteren op hun eigen overtuigingen, geef je ze iets mee waar ze hun hele leven iets aan hebben.’