Het eerste boek is de dichtbundel van Esther Wieldraaijer, dochter van een van mijn collega’s. Esther (2011) zit in de tweede klas van de middelbare school en van haar hand verscheen dit najaar een dichtbundel getiteld Diep uit het hart. Hier volgt het gedicht Pesten om u een idee te geven van haar fraaie verzen:
Pesten
Het is stom
Het is dom
Lachen om een ander
Onmogelijke vragen
Schieten door mijn hoofd
Alsjeblief, stop
Stop met het verpesten
Van waar ik zo van houd
Ook verscheen dit najaar Er hangt iets van lente in de klas… een vuistdikke bloemlezing van Nederlandstalige onderwijsgedichten vanaf de dertiende eeuw tot nu. Er staan gedichten in van bekende dichters, zoals Joost van den Vondel, Willem Wilmink en Annie M.G. Schmidt, maar ook van mij volkomen onbekende schrijvers en ook van dichters van wie de samenstellers de namen niet hebben kunnen achterhalen. Het gedicht Proefwerk van H.H. ter Balkt spreekt mij wel aan. Ik was niet zo goed in natuurkunde en in zijn gedicht beschrijft Ter Balkt hoe hij tijdens een proefwerk natuurkunde naar de vragen op het papier staart en niet weet wat hij met de formules aan moet: ‘Waar ik ook zoek, het helpt geen zier / Alle formules aan de haal.’ Het gedicht eindigt als volgt: ‘Ik teken strepen op de bank / en wacht slechts op die reddingsklank / van de bekende bel.’
Het mooie van dit boek is ook dat achterin een trefwoordenregister staat. Hierdoor kun je snel gedichten vinden over thema’s en onderwerpen die je interesseren. In dat register staan trefwoorden als Eruit gestuurd, Gymnastiekles, Te laat komen, Brugklasser en ook Pesten. Het zou me niet verbazen als het gedicht van Esther Wieldraaijer in de tweede druk van dit boek zal worden opgenomen. Ernst en luim wisselen elkaar af. De enige lijn die er in het boek zit is een chronologische. Dat maakt dat je het boek heel goed van begin tot eind kunt lezen. Je kunt het ook steeds op een willekeurige plaats open slaan. Dat deed ik zojuist en daar trof ik op pagina 819 het gedicht Speciaal onderwijs aan van Theo Danes (1983). Dat gaat als volgt: ‘Heus, ik was bijzonder slim / Maar bedroevend slecht in gym / Op advies van mijn decaan / Heb ik nasium gedaan.’
Stel dat je dit boek vanaf het eerst gedicht begint te lezen, dan kom je op pagina 22 een wat langer Middelnederlands fragment tegen uit Floris ende Blancefloer. De eerste regel luidt ‘Die kinder waren beide so scone.’ Dat begint al goed. Gelukkig hebben de samenstellers van de oude, Middelnederlandse en 17e eeuwse gedichten een hertaling opgenomen. Ik vind het mooi om die naast elkaar te lezen. De hertaling van die eerste regel luidt: ‘Beide kinderen waren zo mooi.’ Even terug naar het register. Daar zie ik ook het trefwoord ‘Inspecteur’ staan. Het verwijst naar twee gedichten in de bundel. Een ervan is van Ida Gerhardt. Ze beschrijft in dat gedicht het bezoek van inspecteur Renkema aan haar klas. Kennelijk was deze inspecteur in de gelegenheid met de lerares klassieke talen na te praten over de bezochte les. Hij geeft haar een paar tips en relativeert haar fouten. En dan staat er: ‘Zó was hij, Renkema. – Nog menig uur / zat in mijn les zijn vierkante figuur. / Zeer hoffelijk: geen inspecteur, maar gast.’ Er zit poëzie in het onderwijs en soms ook in een inspecteur.
Anne Bergsma is Inspecteur voortgezet onderwijs en vicevoorzitter van de OR van de Onderwijsinspectie