Los van hun oorspronkelijke functie bezitten deze plant- en bloemmodellen een esthetische kwaliteit die tegenwoordig museaal is; op kunstveilingen leveren ze aanzienlijke bedragen op. Toch waren deze modellen oorspronkelijk niet bedoeld als kunstwerken. Hun schoonheid stond juist in dienst van het onderwijs.
De oorsprong van deze modellen, van dertig centimeter hoog of meer, ligt in een didactische uitdaging: de fysieke plantonderdelen – knoppen, zaden, bloemen – waren vaak te klein om klassikaal te demonstreren. Leerkrachten zochten daarom naar middelen om het onzichtbare zichtbaar te maken. Vergrote modellen waren de oplossing: hiermee was het mogelijk om complexe botanische kennis klassikaal te behandelen.
Modellen uit was
Aanvankelijk werden dergelijke modellen vervaardigd uit was. Dit leverde natuurgetrouwe resultaten op, maar er waren ook beperkingen. Het productieproces was tijdrovend en kostbaar, waardoor de modellen vooral terechtkwamen bij kapitaalkrachtige onderwijsinstellingen. Bovendien bleek was kwetsbaar: aanraken, demonteren en intensief gebruik leidde al snel tot beschadigingen. Juist voor onderwijsdoeleinden – waarbij je een model moest kunnen vastpakken, openen, uit elkaar halen en weer in elkaar zetten – bleek dat een groot nadeel. De groeiende vraag naar natuurwetenschappelijk onderwijs in de negentiende eeuw vroeg om solide en goedkopere alternatieven.
Het succes van de firma Brendel ontstond in het negentiende-eeuwse onderwijslandschap, waarin gedetailleerde kennis steeds belangrijker werd. De wortels van het bedrijf lagen in Breslau (het huidige Wroclaw in Polen), waar Ferdinand Cohn (1828-1898), botanicus en directeur van een academisch instituut voor plantkunde, samenwerkte met apotheker en plantenliefhebber Leopold Lohmeyer (1799-1873). Zij experimenteerden met nieuwe materialen, waaronder papier-maché: papier dat met stijfsel soepel en vormbaar werd gemaakt. Toen de vraag naar plantmodellen toenam, werd de productie ondergebracht bij de werkplaats van Robert en Reinhardt Brendel. Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw groeide dit initiatief uit tot een gespecialiseerde onderneming, die wetenschap en ambachtelijkheid samenbracht.
Analyseren bloem of vrucht
De firma Brendel werkte fabrieksmatig, maar met ambachtelijke precisie. Modelmakers – vaklieden met artistiek talent – vervaardigden planten uit papier-maché, maar ook hout, gelatine en andere materialen. De modellen werden opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen die konden worden losgemaakt en weer in elkaar gezet. Daarmee kregen zij een extra didactische dimensie: leerlingen konden niet alleen kijken, maar ook analyseren hoe een bloem of vrucht anatomisch was opgebouwd. Abstracte botanische kennis werd tastbaar gemaakt.
Brendels catalogi boden honderden soorten aan, variërend van eenvoudige tot zeer gedetailleerde modellen voor universiteiten, middelbare scholen (zoals de Hoogere Burgerschool, de H.B.S.) en land- en tuinbouwonderwijs. Tegen het einde van de negentiende eeuw werden deze modellen wereldwijd bekroond op internationale tentoonstellingen en vonden ze hun weg naar scholen, musea en universiteiten in Europa en Amerika. Het succes hing samen met de snelle groei van wetenschap en techniek, onderwijsvernieuwing en de behoefte aan visuele hulpmiddelen die nieuwe kennis klassikaal toegankelijk maakten.
De plantmodellen veranderden in de loop der tijd van betekenis: functioneerden zij eerst als leermiddelen voor het aanschouwingsonderwijs, vandaag de dag zijn het vooral objecten met een esthetische waarde. In die dubbele betekenis schuilt de blijvende waarde van Brendels leermiddelen. Die schoonheid is geen bijproduct, maar juist het resultaat van een pedagogische inzicht dat in de laatste decennia van de negentiende eeuw opgang maakte: goed onderwijs vraagt om duidelijke verbeelding. Door bloemen en planten te vergroten en nauwkeurig vorm te geven, maakten de vervaardigers kennis zichtbaar en aantrekkelijk.
Esthetiek en didactiek smolten samen. Wat we vandaag als kunst ervaren, was ooit een leermiddel om te begrijpen. Dit laatste verklaart waarom Brendels bloem- en plantmodellen nog altijd fascineren: zij tonen hoe leren begint met kijken en dat verwondering een voorwaarde is voor het vergaren van kennis.
Jacques Dane is historicus en hoofd onderzoek en conservator bij het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht. Scan de code voor de online versie met de bronnen.
Bronnen
Graziana Fiorini, Luana Maekawa, and Peter Stiberc, ‘Save the Plants: Conservation of Brendel Anatomical Models.’ In: Th Book and Paper Group Annual 27 (2008), blz. 35-35.
Frits Maas en Jacques Dane, ‘Brendelmodellen: ambacht, kunst en wetenschap. Planten en bloemen van papier-maché.’ In LESSEN. Periodiek van het Nationaal Onderwijsmuseum 15 (nummer 1, zomer 2016), blz. 20-22.
Matthias Svojtka, ‘Die botanischen Modelle von Carl Leopold Lohmeyer (1799-1873) und Carl Robert Brendel (1821-1898).‘ In: Acta ZooBot Austria 161 (2025), blz. 47-60