Zelden voelde een beleidsdocument zo uitnodigend als de nieuwe kerndoelen. Dat is misschien een verrassende opening voor een column over curriculumontwerp, maar toch is het zo. Want scholen zijn duidelijk aan zet. Niet om simpelweg iets te implementeren wat al vastligt, maar om bewust gebruik te maken van de ruimte die de kerndoelen bieden. Daarom mijn oproep: pak die uitnodiging ook echt aan.

Wie de nieuwe kerndoelen leest, merkt meteen dat ze anders zijn opgeschreven dan hun voorgangers. Ze zijn specifieker, samenhangender en daarmee – zo zeggen experts – beter hanteerbaar. Ja, ze sturen meer. Maar sturen is hier niet hetzelfde als dichtregelen. Ze geven richting en houvast. En houvast is iets fundamenteel anders dan een keurslijf.

Dat vraagt van scholen dat zij een cruciale vraag centraal blijven stellen: hoe richten we onderwijs zo in dat het betekenisvol is voor leerlingen en dat zij ervaren dat zij zelf van betekenis zijn? Het antwoord op die vraag vind je niet door kerndoelen netjes af te vinken. Het vraagt om doordacht curriculumontwerp, geworteld in een schooleigen visie op leren, op mens-zijn en op de wereld waarin kinderen en jongeren opgroeien.

‘Herijking biedt ruimte het anders te doen’

Binnen de kerndoelen is ongeveer 30 procent ontwerpruimte. Dat is geen vrijblijvende marge, maar een professionele ruimte die vraagt om dialoog, gezamenlijke keuzes en vertrouwen in vakmanschap. Tegelijk weten we hoe lastig dat kan zijn. Wie herinnert zich niet de invoering van burgerschapsvorming? De grote woorden en goede bedoelingen, gevolgd door onzekerheid en de angst om tekort te schieten. Met als gevolg: knippen en plakken, een extra lesje hier, een paragraafje daar. Het onderwijs bleef grotendeels hetzelfde, terwijl de ervaren druk om te voldoen aan de gestelde (inspectie)eisen toenam.

Mijn zorg is dat die reflex opnieuw de kop opsteekt. Dat zou zonde zijn. Want deze herijking biedt juist ruimte om het anders te doen. En om met collega’s het wezenlijke gesprek te voeren: over samenhang, over keuzes, over wat we leerlingen werkelijk willen meegeven.

Daarom zie ik curriculumherziening graag als het verbouwen van een huis terwijl je er al in woont. De lessen gaan door, leerlingen leven en leren dagelijks in het huis en toch voel je dat sommige ruimtes niet meer passen. De nieuwe kerndoelen vormen daarbij het bouwkundige kader: waar de draagconstructie zit, hoeveel licht er moet zijn, welke ruimtes noodzakelijk zijn. Dat kader is voor iedereen gelijk. Maar hoe het huis uiteindelijk wordt, is volledig schooleigen.

Elke school richt dit huis anders in, passend bij haar identiteit, haar leerlingen en haar context. Hier ontstaat een grote leefruimte waarin vakken samenkomen, daar juist een plek voor rust en verdieping. De 30 procent ontwerpruimte is daarbij geen overgebleven hoekje, maar het hart van het ontwerp: de plek waar je bewust zegt: ‘Zo doen wij dat hier’. De verleiding om te kiezen voor een standaardinterieur dat alles alvast invult is groot. Maar wie dat doet, merkt dat het huis misschien voldoet, maar niet echt past. Pas wanneer scholen die ontwerpvrijheid benutten, ontstaat een curriculum dat niet alleen aan de kerndoelen voldoet, maar ook herkenbaar, betekenisvol en onmiskenbaar eigen is.

Marijke Floris is lid van het College van Bestuur van Verus, vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs.