Na het startschot van staatssecretaris Sander Dekker in 2015 is er tien jaar lang hard toegewerkt naar het huidige eindproduct. Hoewel het traject een hoge mate van zigzag-kwaliteit had, is er met de geactualiseerde kerndoelen consensus bereikt over wat de samenleving van het onderwijs verwacht. En, nog belangrijker, wat leerlingen en hun ouders van het onderwijs mogen verwachten. 

‘Onderwijs is juist zelf aan zet’

De kerndoelen zijn geen nationaal curriculum, maar bieden het wettelijke kader waarbinnen het aan het onderwijs is om curriculum te (her)ontwikkelen en daarmee goed onderwijs te realiseren. Het is belangrijk deze rolverdeling scherp in beeld te houden. Dat betekent dat de volgende stap in het proces geen kwestie van de implementatie van het curriculum kan zijn. Het onderwijs is juist zelf aan zet om curriculum te (her)ontwikkelen. Die uitdaging ligt bij leraren, individueel en collectief, met ondersteuning van experts en leermiddelenontwikkelaars – en niet andersom.

Onderscheid kerndoelen

Nieuw aan de geactualiseerde kerndoelen is het onderscheid tussen drie soorten kerndoelen. Aanbodsdoelen beschrijven wat onderwijs aan leerlingen dient aan te bieden. Ze gaan over waar iedere leerling recht op heeft. Ervaringsdoelen beschrijven de inspanningen die we van leerlingen verwachten vanwege het belang van de ervaringen die ze daarmee op kunnen doen. Ze beschrijven, anders gezegd, de plicht tot onderwijs. Opbrengstdoelen beschrijven waar we vinden dat leerlingen moeten uitkomen. 

Marginalisering

Met de geactualiseerde kerndoelen dienen zich nieuwe kansen aan voor het curriculum. Dat is belangrijk omdat het curriculum in de afgelopen decennia nogal in de verdrukking is geraakt. Dat is allereerst het gevolg van de wijdverbreide misvatting dat curriculum niets anders zou zijn dan de inhoud van het onderwijs, met het idee dat het de taak van het onderwijs zou zijn om die inhoud op de een of andere manier ‘in’ de leerling te krijgen. 

De marginalisering van het curriculum is ook het gevolg van de opkomst van Outcomes Based Education. Daarin is het accent verschoven van het curriculum naar wat het onderwijs zou moeten opbrengen, geformuleerd in termen van leerdoelen, (verwachte) leeropbrengsten en (verwachte) prestaties. In sommige landen heeft dit geleid tot lange lijsten van leerdoelen voor het onderwijs. Andere landen, waaronder Schotland, hebben gekozen voor een minimale benadering, bijvoorbeeld door leerlingkwaliteiten te benoemen waar al het onderwijs naartoe dient te werken.

Traject

Met deze ontwikkelingen is het inzicht uit beeld geraakt dat het curriculum noch samenvalt met inhoud, noch een opsomming van verwachte opbrengsten is, maar het traject is dat we voor onze leerlingen ontwerpen om hen te helpen van A naar B te komen. Dit inzicht is zichtbaar in de Engelse definitie van curriculum als ‘a course of study.’ Een ‘course’ is een traject – het Latijnse woord ‘currere,’ waar curriculum op teruggaat, betekent parcours of renbaan. En wat het traject vraagt van leerlingen is studie: zich met aandacht ergens in verdiepen.

‘Curriculum niet altijd rechte (leer)lijn’

Soms is het van te voren duidelijk naar welke B we onze leerlingen willen brengen, bijvoorbeeld naar een bepaald kunnen, weten of begrijpen. Maar onderwijs bestaat niet louter uit gesloten taken. Er zijn ook betekenisvolle open taken. Denk aan het vormen van een mening, waarbij de kwaliteit van de onderbouwing telt, niet dat iedere leerling tot dezelfde mening komt. En soms is de B van tevoren onbekend, bijvoorbeeld als we leerlingen vragen problemen op te lossen of nieuwe dingen te maken. Het curriculum is dus niet altijd een rechte (leer)lijn. Hoe we het traject voor onze leerlingen inrichten, hangt altijd af van wat we met ons onderwijs beogen.

Doeldomeinen

In goed onderwijs dienen daarbij altijd drie doeldomeinen op de horizon te staan. Onderwijs heeft een taak in het toerusten van leerlingen: helpen met het verwerven van kunnen en weten, en weten wat je kunt. Onderwijs heeft een taak in het bieden van oriëntatie: leerlingen wegwijs maken in de wereld, in wat daar van waarde is en welke (spel)regels daar gelden, en in het bieden van mogelijkheden daar hun eigen plaats in te vinden. En onderwijs dient te werken aan de volwassen zelfstandigheid van de leerling : zelfverantwoordelijke zelfbepaling en constructief deelgenootschap aan de samenleving, zoals het in de pedagogische traditie heet. 

Deze doeldomeinen kunnen van elkaar onderscheiden worden, maar niet gescheiden. Ze vragen om driedimensionaal bewustzijn in de ontwikkeling van curriculum. Bijvoorbeeld: Wat voor oriëntatie op de wereld biedt deze kennis en wat doet dat – positief of negatief – voor de volwassen zelfstandigheid van de leerling?

Vormende kwaliteit

Het inrichten van onderwijstrajecten is complex werk. Dat is omdat leerlingen in de trajecten niet alleen inhoud tegen moeten komen, maar ook taken, uitdagingen, oefenmogelijkheden, problemen, openingen en zelfs mogelijk interessante omwegen. Dat is allemaal bedoeld om betekenisvol te werken aan de drie doeldomeinen. Curriculumontwikkeling heeft daarom niet alleen te maken met de selectie en organisatie van onderwijsinhoud (in het Duits: Bildungsinhalt), maar moet ook altijd oog hebben voor wat de Duitse onderwijspedagoog Wolfgang Klafki Bildungsgehalt heeft genoemd: de vormende kwaliteit van alles wat we op het pad van onze leerlingen leggen. Het centrale inzicht hier is dat het traject zelf er toe doet en niet louter een meer of minder effectieve manier is om opbrengsten te genereren.

Nieuwe kansen

De geactualiseerde kerndoelen bieden dus nieuwe kansen voor het curriculum en, meer nog, voor leraren als curriculumontwikkelaars. Om die kansen te kunnen benutten, is het van cruciaal belang te begrijpen wat kerndoelen wel en niet zijn, wat (een) curriculum wel en niet is, en welke overwegingen een rol dienen te spelen bij het (her)ontwerpen van curricula. De belangrijke vraag voor over vijf jaar is daarom niet of het is gelukt de kerndoelen te implementeren maar of het onderwijs deze historische kans heeft weten te pakken.

Gert Biesta | Auteursfoto: Christian Chouchena

Gert Biesta is emeritus hoogleraar Public Education in het Centre for Public Education and Pedagogy van Maynooth University in Ierland en adjunct hoogleraar bij de Western Norway University of Applied Sciences in Noorwegen. Sinds 2023 is hij kroonlid van de Onderwijsraad.