Paul Stam en Keete Beckeringh, twee vwo-leerlingen die uit eigen ervaring weten hoe moeilijk het is om als hoogbegaafde leerling je plek te vinden in het onderwijs, hebben dit probleem nauwkeurig onderzocht. De een had officieel het label ‘hoogbegaafd’, de ander niet, maar beiden voelden zich vaak onbegrepen en ongezien. Vanuit die persoonlijke ervaring zetten ze een grootschalig onderzoek op, begeleid door Stef van der Zanden, docent biologie, vertrouwenspersoon en specialist hoogbegaafdheid bij UniC, een scholengemeenschap voor havo en vwo in Utrecht.
In hun profielwerkstuk Hoogbegaafde middelbare scholieren verdienen ook aandacht onderzochten ze hoe middelbare scholen omgaan met hoogbegaafde leerlingen en hoe die begeleiding verbeterd kan worden. Ruim 215 hoogbegaafde jongeren en hun ouders deelden openhartig hun ervaringen, die vaak gekenmerkt werden door uitdagingen en teleurstellingen.
Onbegrepen
Veel mensen denken dat hoogbegaafde kinderen vanzelf hun weg wel vinden; ze zijn immers slim genoeg. Maar uit het onderzoek blijkt dat juist deze leerlingen vaak meer ondersteuning nodig hebben dan hun leeftijdsgenoten. Ze lopen tegen obstakels aan die niet altijd zichtbaar zijn en krijgen niet de begeleiding om hun potentieel te benutten.
Ook docenten verwachten soms dat hoogbegaafde leerlingen zelfstandig kunnen werken en zichzelf kunnen motiveren. In werkelijkheid hebben ze behoefte aan duidelijke kaders, begeleiding en een omgeving waarin hun talenten erkend worden. Als die ondersteuning ontbreekt, kan dat leiden tot mentale en fysieke klachten, depressieve gevoelens, schooluitval en in extreme gevallen zelfs suïcidaliteit.
Verbeterpunten
Paul en Keete kwamen in hun onderzoek tot drie verbeterpunten voor het onderwijs.
- Persoonlijke en gerichte ondersteuning. Niet iedere hoogbegaafde leerling heeft dezelfde behoeften. Daarom is het cruciaal om in gesprek te gaan en te kijken welke ondersteuning écht nodig is. Maatwerk is de sleutel.
- Meer kennis over hoogbegaafdheid binnen scholen. Veel docenten beschikken over te weinig kennis over hoogbegaafdheid en de uitdagingen die ermee gepaard gaan. Dit leidt ertoe dat leerlingen zich vaak niet erkend voelen. Scholen zouden daarom een aanspreekpunt voor hoogbegaafdheid moeten aanstellen en ervoor moeten zorgen dat alle docenten over basiskennis beschikken.
- Flexibiliteit in het onderwijsaanbod. Hoogbegaafde leerlingen floreren niet altijd binnen strakke structuren. Ze hebben baat bij meer vrijheid in hun leerproces. Scholen zouden hen vaker de ruimte moeten geven om op hun eigen manier hun leerdoelen te bereiken. Dat vraagt om een open houding van docenten en vertrouwen in de capaciteiten van deze leerlingen.
Oproep aan scholen
De conclusie van het onderzoek is duidelijk: er is nog veel te winnen als het gaat om de begeleiding van hoogbegaafde leerlingen. Daarom pleiten Paul en Keete ervoor om dit onderwerp een vaste plek te geven binnen het schoolbeleid. Scholen moeten kritisch kijken naar hun aanpak en beoordelen of ze hoogbegaafde leerlingen daadwerkelijk de ondersteuning bieden die zij nodig hebben.
In hun profielwerkstuk geven de onderzoekers concrete handvatten voor scholen en schoolbesturen, waaronder: wat de meest effectieve vormen van begeleiding zijn; welke valkuilen er voor scholen zijn en welke ondersteuning het ministerie van OCW biedt. Het ministerie stelt namelijk geld ter beschikbaar aan scholen om nog meer te investeren in bijscholing voor docenten en andere initiatieven ten behoeve van hoogbegaafde kinderen.
Hoogbegaafde leerlingen verdienen een omgeving waarin hun talenten tot bloei kunnen komen. Een onderwijsinstelling die hen niet alleen begrijpt, maar ook daadwerkelijk ondersteunt. Het is tijd om hoogbegaafdheid niet langer te zien als een bijzaak, maar als een essentieel onderdeel van passend onderwijs.