Je kunt 34 zijn en je ontzettend jong wanen, maar er komt een moment waarop je kunt zeggen: ‘Ik ben oud genoeg om te hebben meegemaakt dat…’ Welnu …dat de eerste computer de klas in kwam. Ik zat in groep 4. Sommige van onze ouders hadden een computer thuis, maar een computer waar we zelf op mochten (weliswaar onder begeleiding en met één persoon per keer) was fascinerend.

Er waren spelletjes die ons het verschil leerden tussen het woord ‘zaken’ en ‘zakken’ (intelligent Zaken/zakken genaamd) en waarmee je als het ware over de wereldkaart vloog om te leren waar alle landen waren. Met alle inzichten van nu allicht te eendimensionaal voor woorden, maar het had op ons als leerlingen een betoverende werking. Je wilde het graag goed doen, voor de computer.

De technologie schrijdt voort en inmiddels leren de meeste mensen hun vreemde talen via DuoLingo en schrijft ChatGPT alle opstellen, spreekbeurten en beleidsnotities voor ons. De betoverende werking van wat er mogelijk is, maakt niet alleen indruk op leerlingen in groep 4.

En toch is dat waar de meeste AI-debatten in het onderwijs zich op lijken te spitsen: wat kán er allemaal? Met hooguit als kritische noot: als dit allemaal kan, wat voor bedreigingen zien we dan? Ik juich de komst van AI toe, omdat het volgens mij de weg opent naar een debat waar we in het onderwijs naar snakken: naar de vraag waar ons onderwijs eigenlijk goed voor is.

Als in mijn middelbareschooltijd DuoLingo had bestaan, had ik qua woordenschat ongetwijfeld sneller Frans geleerd. Maar dan had ik niets geleerd over de Franse cultuur, de manier waarop de taal in elkaar zit en vooral de manier waarop anderen die taal gebruiken. Voor wie de premium boarding pass naar zo snel mogelijk Frans spreken wil hebben, zijn apps een ideale methode. Maar toch denk ik dat het eind van het liedje niet is dat we alle leraren maar vervangen door intelligente computers.

Die dragen namelijk wel bij aan kennisverwerving, maar naast die kennis is er ook wijsheid nodig om te weten wat je met die kennis kunt. En die wijsheid doe je alleen op als je je wezenlijk verbindt met een ander, in de klas, en onder begeleiding van een leraar die je – zo nu en dan – de weg wijst.

 

Toegegeven: AI-clients kunnen straks vermoedelijk 80 procent van alle scripties en werkstukken schrijven. Maar twee dingen kunnen ze niet: allereerst dat ene briljante inzicht opdoen waarvan je aan het begin van het schrijfproces nog niet wist dat het er ging komen. De ruimte voor écht baanbrekend schrijfwerk ligt juist nu open. Ten tweede: de vraag beantwoorden waarom we zo veel mogelijk leerlingen door de scriptie- en werkstukmal duwen, als iemand/iets anders het straks makkelijk voor ze maakt. Het AI-debat is dus ook een debat over de betekenis van (een bepaald soort) prestaties in het onderwijs.

Ik juich AI toe, omdat het ons ten diepste doet reflecteren op de ziel en de betekenis van goed onderwijs. Het enige nadeel: we zullen dat gesprek met elkaar moeten voeren. Van mens tot mens, elkaar in de ogen kijkend. Gelukkig zijn er altijd weer wijze mensen die ons daarin willen begeleiden.

Mark Buck is voorzitter van het College van Bestuur van Verus, vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs.