Onderwijs gaat in de kern over vooruitkijken. De leerlingen van nu zijn de burgers van morgen. Rekenen, lezen en schrijven vormen de pijlers onder goed onderwijs. Ze zijn essentieel om mensen te laten meedoen in een steeds ingewikkelder wordende samenleving.
Leerlingen worden voorbereid op een baan, maar tegelijkertijd ook op een zelfstandig en goed bestaan. Rekenen helpt bij het omgaan met geld. Lezen is nodig om teksten (boeken, krantenartikelen, contracten) te begrijpen. En wie een sollicitatiebrief, een verslag of een rapport moet maken (of zijn ongezouten mening op social media wil laten horen), moet dat helder kunnen opschrijven. Onderwijs is toekomstgericht – en dat is het al heel lang.
De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen – een vereniging die verheffing en ontwikkeling van samenleving en individu voorstond – pleitte vanaf 1784 voor degelijk onderwijs in rekenen, lezen en schrijven. Goed onderwijs, aldus het Nut, is het middel tot persoonlijke en maatschappelijke ontwikkeling. Al sinds het begin van de negentiende eeuw houdt de Onderwijsinspectie toezicht op de kwaliteit van lezen, reken en schrijven. De vraag hoe het gesteld is met de basisvaardigheden, is dus niet van vandaag of gisteren.
Schrijven is struikelblok
Recente publicaties over schrijfvaardigheid signaleren dat het schrijfonderwijs in Nederland averij vertoont. In het onlangs gepubliceerde rapport De staat van het onderwijs 2025 beklemtoont de Onderwijsinspectie dat naast mondelinge ook schriftelijke taalvaardigheden cruciaal zijn om goed mee te kunnen komen op school, op het werk en in de samenleving.
Toch krijgt schrijfvaardigheid, het maken van een ‘opstel’, veel te weinig aandacht. Waarom? Deze vaardigheid – bestaande uit onderdelen als argumenteren, structureren, woordenschat, creativiteit – is moeilijker te meten een daarom ligt de nadruk vooral op gemakkelijker toetsbare onderdelen, zoals grammatica en spelling. Hierdoor dreigen spreken en ook schrijven naar de achtergrond te verdwijnen, wat het risico vergroot op een versnipperd taalaanbod in plaats van geïntegreerd en betekenisvol taalonderwijs.
Bij de invoering van de Tweede Fase (1998) werd het maken van een opstel geschrapt als verplicht onderdeel van het centraal examen Nederlands. In het Onderwijsblad (november 2014) betreurden experts deze beslissing. ‘Van leerlingen wordt verwacht dat zij in het hoger onderwijs teksten kunnen schrijven. Dat moet geoefend worden. […] Universiteiten en hogescholen klagen steen en been over het gebrek aan schrijfvaardigheid van studenten. Velen kunnen niet uitleggen of argumenteren op papier.’ Dit probleem bestaat tot op de dag van vandaag.
Schoolplaten
De kwaliteit van de schrijfvaardigheid is dus geen hedendaags probleem, lang geleden bestond het ook al. En ze probeerden het probleem te tackelen. Zoals bij de lesmethode Stellen en vertellen (1912) van de pedagogen A. Brands en J. Klootsema.
Bij deze methode werden schoolplaten geleverd waarop vier afbeeldingen staan. De opdracht was om bij elke illustratie een verhaaltje te maken. Leerlingen moesten vooral hun fantasie gebruiken. De afbeeldingen waren kleurrijk en duidelijk. Daar hielden leerlingen van. De plaatjes prikkelden de verbeelding. Bij alledaagse, herkenbare situaties konden ze hun eigen verhaal maken.
Het leerdoel van Brands en Klootsema was dat jongens en meisjes hun eigen zinnen, hun eigen gedachten zouden neerschrijven. De pedagogen omschreven in de handleiding de onzekere houding van de leerlingen in de vijfde klas (groep 7): ‘De jonge stilist durft in het begin de pen haast niet op het papier te zetten. Het is hem niet recht duidelijk, wat er van hem verlangd wordt. Nog nooit heeft hij eigen zinnen, eigen gedachten neergeschreven: alles is hem eerst zoo vreemd, hij voelt zich zoo wankel.’
Onderwijzers kregen het advies hun leerlingen vooral vrij te laten. Men moet de kinderen niet ‘in het zelfde corsetje rijgen’, geen klassikaal opstel laten maken. ‘Ieder drukt uit, wat hij zelf denkt en gevoelt. Kinderen hebben evenals wij hun eigen gedachten, hun eigen gevoelens, hun eigen zinsbouw, hun eigen verhaaltrant.’ Brands en Klootsema beschouwden het kind als een unieke persoonlijkheid, als een individu. Heel modern voor 1912.
Het belangrijkste leerdoel van Stelen en vertellen was dat kinderen in de zesde klas (groep 8) zelfstandig brieven en verslagen konden maken. Een leerproces dat nauw samenhing met het lezen van verhaaltjes, aanmoedigen en het klassikaal bespreken van de opstellen. In het voortgezet onderwijs konden leerlingen hun schrijfvaardigheid verder ontwikkelen.
Schrijfvaardigheid onmisbaar
We leven in een tijd waarin communicatie belangrijker is dan ooit. Toch krijgt het schrijven van samenhangende teksten als brieven, verslagen en opstellen nauwelijks structurele aandacht in het hedendaagse onderwijs. En dat terwijl deze vaardigheid onmisbaar is en niet alleen voor succes op school.
Al in 1912 pleitten de pedagogen Brands en Klootsema ervoor dat kinderen in een opstel hun eigen gedachten op papier zouden zetten. Je zou denken dat ze hiermee een traditie startten. Het tegendeel is waar. Sommige onderwijskwesties blijken hardnekkig te zijn.