Twee vragen die ongeveer hetzelfde betekenen, denk ik. Beide vragen moest ik, na enig nadenken, ontkennend beantwoorden. Met dit voorbehoud: in een vergadering of tijdens een gesprek in een groep mensen kan ik me wel eens vervelen. Ik ben al snel van mening dat over onderwerpen, problemen, te lang wordt doorgepraat. Dan haak ik mentaal af en mijn gedachten gaan dan hun eigen, grillige weg. Dat is mijn vorm van verveling. Andere vormen ken ik eigenlijk niet. Waar ik ook heen ga, voor werk, of privé, naar een plechtigheid of een concert, altijd heb ik in mijn binnenzak een boek bij me. Dat zit in de familie. Toen mijn moeder mij eens tijdens een verjaardagsfeestje in een boek zag lezen, zei ze: ‘Dat deden mijn broers vroeger ook altijd!’ Ik lees nu eenmaal graag en daardoor krijgt verveling nauwelijks een kans. 

‘Maar,’ opperde mijn huisgenote, ‘is het wel goed dat je altijd aan staat en verveling geen kans geeft?’ Een goede vraag. Het punt is dat verveling een slechte pers heeft, ook in het onderwijs. Als leerlingen in een klas zich zichtbaar vervelen, levert dat meestal geen plusje op in mijn lesobservatieformulier. En dat is ook wel begrijpelijk, want wij vragen van leraren dat ze hun leerlingen activeren, dat ze leerlingen stimuleren tot nadenken. Dat ze, anders gezegd, voorkomen dat leerlingen uit gaan. 

Toen ik het hier met een collega over had, wees ze me op de publicaties van een Britse psychologe, Sandi Mann. Zij heeft een aantal interessante onderzoeken gedaan naar het effect van verveling op het menselijk brein en ook naar het, schrik niet, nut van verveling. Wat blijkt? Tijdens neurowetenschappelijk onderzoek is ontdekt dat ons brein in ruststand, onder andere bij verveling, heel actief is. Onze hersenen schakelen bij verveling over naar wat in het Engels het Default Mode Network (DMN) heet. Dit netwerk is onder andere verantwoordelijk voor dagdromen en reflectie. Het brein verwerkt herinneringen en kijkt naar de toekomst. Ook, en dit is naar mijn idee nog interessanter, is het DMN verantwoordelijk voor creativiteit. Zonder externe prikkels gaan hersencellen op zoek naar nieuwe verbindingen. Sandi Mann toonde aan dat proefpersonen na het uitvoeren van een extreem saaie taak – in haar geval het overschrijven van telefoonnummers – veel creatiever, analytischer en inventiever scoorden op testen. 

Deze creatieve vorm van verveling zag ik een leraar een keer bewust toepassen tijdens een les. Hij gaf leerlingen om te beginnen de volgende oefening: schrijf een stuk voor een weblog, het maakt niet uit wat; maar je mag geen gebruik maken van internet. Een leerling zei al snel: ‘Ik weet niks, ik verveel me.’ De leraar antwoordde: ‘Mooi zo, blijf nog maar even in dat gevoel zitten, je brein is nu aan het opwarmen.’ Deze leraar had beter dan ik begrepen dat verveling een creatieve kracht kan zijn. Zijn doel: leerlingen laten ervaren dat interessante ideeën van binnenuit kunnen komen als de externe ruis wegvalt. Dit versterkt hun autonomie en zelfvertrouwen. Bovendien, door verveling te presenteren als mentale hersteltijd en een creativiteits-tool, haalde deze leraar het uit de taboesfeer. Hij leerde leerlingen dat ze niet bang hoeven te zijn voor de leegte, maar dat die leegte juist de ruimte is waarin hun eigen identiteit kan groeien.

 

Anne Bergsma is inspecteur voortgezet onderwijs en plaatsvervangend voorzitter van de OR van de Onderwijsinspectie.