Sociale media en influencers doen de rest. Vapen is veilig en onschuldig – althans, zo wordt het gepresenteerd. De werkelijkheid is anders. Uit recent onderzoek van het Trimbos-instituut blijkt dat vapers een veel grotere kans hebben om later ‘gewone’ sigaretten te roken. Het streven naar een rookvrije generatie in 2040 dreigt in rook op te gaan.

Wie denkt dat dit een nieuw probleem is, vergist zich. Al vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw geleden klonken dezelfde waarschuwingen, maar dan over jongens in het primair onderwijs die sigaren en sigaretten rookten op het schoolplein.

Tabak op het schoolplein
In de vroege twintigste eeuw was roken alomtegenwoordig. Niet alleen volwassenen, maar ook kinderen rookten regelmatig. Tussen 1907 en 1924 onderzocht de Bond van Nederlandsche Onderwijzers (BNO) de rookgewoonten onder lagere-schoolleerlingen. De uitkomsten waren onthutsend. In Rotterdam rookte in 1914 59% van de jongens tussen zes en twaalf jaar, onder twaalfjarigen zelfs 77%. Een kwart van de zesjarigen had al ervaring met tabak.

Onderwijzers zagen de gevolgen dagelijks in de klas voor hun ogen. Jonge rokers waren bleek, lusteloos en hadden nauwelijks energie om buiten te spelen. De Brabantse hoofdonderwijzer en pedagoog Jan Geluk noteerde in 1882 dat bij sigaren rokende jongens ‘de jeugdige frischheid’ verdween en de lust om te bewegen afnam. Internationaal onderzoek bevestigde dit beeld. De Duitse hersendeskundige Friedrich Tiedemann stelde dat nicotine ‘de gezonde, krachtige ontwikkeling van het lichaam benadeelt’.

Roken was niet alleen schadelijk voor de gezondheid, het werd ook gekoppeld aan moreel verval. Geluk waarschuwde dat rokende jongens sneller in bierhuizen belandden en in ‘slecht gezelschap’ verkeerde gewoonten ontwikkelden. Roken was een directe route naar zedelijk verval en financiële ondergang: een ‘geldverslindende verslaving’ die een jongen levenslang zou blijven achtervolgen.

Werkte een rookverbod? In Pruisen werd roken op school in 1856 verboden, zo noteerde Geluk, maar dat had nauwelijks effect. Jongens rookten toch wel, vaak stiekem. Handhaving bleek onmogelijk. Ouders moesten het goede voorbeeld geven en ingrijpen, zo vonden pedagogen. Maar juist daar ging het mis. Velen zagen het als een teken van volwassenheid en vaders gaven hun zoons voor hun twaalfde verjaardag een doos sigaren of sigaretten cadeau; een overgangsritueel van kindertijd naar jong volwassenheid.

Middelbare scholieren
Op middelbare scholen en kweekscholen werd roken lang geaccepteerd. In 1905 signaleerde pedagoog J.H. Gunning Wzn. dat roken niet langer beperkt bleef tot de arbeidersklasse, maar zich ook verspreidde onder de middenklasse en elite. Het was een statussymbool. Zelfs sommige meisjes waagden zich eraan, al werd dat maatschappelijk minder geaccepteerd.

Schoolartsen spraken zich steeds vaker uit over de gevaren. E.M. Mulder bijvoorbeeld beschreef in 1900 hoe jongeren bij hun eerste sigaret misselijk werden en hoofdpijn kregen – een duidelijk signaal dat het lichaam zich verzette tegen de giftige nicotine. Maar na een paar pogingen was het kwaad geschied: ‘Hij is aan het rooken verslaafd.’

Ondanks deze waarschuwingen werd roken zelden als een serieus probleem gezien. Via leermiddelen werd uitgebreid uitgelegd hoe in de voormalige kolonie Indonesië tabak werd verbouwd, zonder dat ergens de schadelijke effecten expliciet werden vermeld. Nederland was een natie van ‘zware rookers’. De tabaksindustrie was een belangrijke bron van inkomsten. De koloniën leverden waardevolle tabak. De tabakshandel vertegenwoordigde een miljoenenindustrie. Rokende scholieren waren de toekomstige klanten en werden eerder aangemoedigd dan ontmoedigd.

Waarschuwende pedagogen
Toch klonken er altijd tegengeluiden. Pedagogen als Geluk en Gunning wezen op de schadelijke gevolgen van roken en probeerden ouders en jongeren bewust te maken van de gevaren. Hun invloed was beperkt, want de overheid bleef doof voor hun oproepen. Den Haag danste naar de pijpen van de criminele tabakslobby en hield meer dan eeuw wetgeving tegen.

Pas in de jaren vijftig sloegen longartsen alarm en werd het verband tussen roken en longkanker en andere tabak-gerelateerde ziektes officieel erkend. Zelfs daarna duurde het nog meer dan een halve eeuw om serieuze maatregelen te treffen. Pas in 2020 werd roken op schoolpleinen verboden – ruim een eeuw na de eerste waarschuwingen van onderwijzers en schoolartsen.

Vapen
En nu? De geschiedenis herhaalt zich. Waar vroeger sigaretten en sigaren de norm waren, is het nu de vape. De tactieken zijn hetzelfde: de tabaksindustrie verleidt jongeren met een ‘onschuldig’ alternatief, zoals de sigaret ooit werd aangeprezen als minder schadelijk dan de pijp. Maar net als toen zijn er leerkrachten die hun leerlingen waarschuwen. Zij zien de gevolgen dagelijks voor zich: jongeren die al vroeg verslaafd raken aan nicotine, misleid door een industrie die hen niet als kwetsbare mensen, maar als potentiële klanten ziet.

Jacques Dane is historicus en hoofd onderzoek en conservator bij het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht.

Bronnen

Bond van Nederlandsche Onderwijzers Afdeling Rotterdam. (n.d. [1914]). Het rooken door kinderen : rapport, opgemaakt naar aanleiding van een onderzoek, omtrent het rooken door schoolkinderen, gehouden door de afd. Rotterdam van den Bond van Nederlandsche onderwijzers. Rotterdam: Uitgegeven door de gemeente Rotterdam.

Dane, J. (2020). Rookvrij in 2040? In: Didactief. Opinie en onderzoek voor de schoolpraktijk. Jrg. 50, nr. 9.

Dane, Jacques (2024). ‘De lange weg naar een rookvrije generatie: Ruim honderd jaar tabakslobby en onderwijs’. In: Pedagogiek in Praktijk 30 (nr. 137), p. 24-28

Fokkens, O. (1960). De ontwikkeling van rookgewoonten bij de jeugd : een sociaal-geneeskundig onderzoek. Utrecht: Oosthoek [dissertatie].

Garritsen, H., Bommelé, J., Nerée, C. de, Troelstra, S., Croes, E., Willemsen, M. (2023). Jongerenmonitor tabaks- en nicotineproducten. Het gebruik van tabaks- en nicotineproducten door jongeren en jongvolwassenen van 12 tot en met 25 jaar. Utrecht: Trimbos-Instituut.

Geluk, J. (1882). Tabakrooken. In: Woordenboek voor opvoeding en onderwijs. Groningen: J.B. Wolters, p. 797-780.

Gunning Wzn., J.H. (1905). Rookende schooljongens. In: Het Kind. Veertiendaagsch blad voor ouders en opvoeders. Jrg. 6/nr. 23, p. 194-195.

Hillen, Firma A., & Bles, C. (1908). Het rooken. Pro: A. Hillen. Contra: Ch. Bles. Baarn: Hollandia-Drukkerij.

Hoogland, R. (n.d. [ca. 1927]). Het roken van kinderen en jeugdige personen. De oorzaken van het verschijnsel. Amsterdam: Bondsdrukkerij De Volharding.

Mulder, E. M. (1895). Tabak en alcohol : hun invloed op ons lichaam en onze gezondheid. Rotterdam: D. Bolle.

Rütte, J.L.C.G.A. le (1917). Het tabaksmisbruik bij de Nederlandsche schooljeugd. Vragen van de dag. Maanschrift voor Nederland en koloniën. jrg. 32, p. 930-941.

Vries, O. de (19263 [19151]). Tabak. Serie: Onze koloniale landbouw, deel VIII. Haarlem: H.D. Tjeenk Willink & Zoon.

Willemsen, M. C. (2017). Het Nederlandse tabaksontmoedigingsbeleid. Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 161(10), p. 28–32.

Zondervan, H. (1924). Tabaksbouw in Deli. Serie: Insulinde in woord en beeld ([Herz. dr.]). Groningen: Wolters.