Vandaag komt Joep binnen. Zonder contact te maken gaat hij gaat achterin zitten, telefoon alvast in de hand. Terwijl de les al even onderweg is, beperkt de productiviteit van Joep zich tot een potje Clash Royale. Hij geeft dit bij navraag ruiterlijk toe, wat ik ervaar als een meevaller. ‘Je telefoon moet weg, Joep. Waar ga je aan werken?’ 

Hij moet een betoog schrijven voor Nederlands. ‘Daar heb ik mijn telefoon voor nodig, voor ChatGPT.’ Ik: ‘Dat mag niet, dan schrijft AI je betoog.’ Joep ziet het probleem niet. ‘Dan leer je zelf niet beargumenteren. ChatGPT gaat een discussie met je vrienden niet winnen.’ Een minzaam lachje valt mij ten deel. ‘Als ik ruzie met mijn vrienden heb, dan gaan we gewoon op de vuist.’ Dit lijkt me grootspraak en bovendien zeer onpraktisch. ‘Waar moet het betoog over gaan?’ Hij: ‘Of het terecht is dat asielzoekers voorrang krijgen voor woningen.’ Ik, een tikkeltje naïef: ‘Toe maar, dappere docent heb je met zo’n opdracht!’ Joep: ‘We mochten zelf het onderwerp kiezen.’ 

Het laat zich raden aan welke kant Joep staat van het dilemma met de woningen en de asielzoekers. Ik sta aan de overkant en wil het liefst moralistisch mijn straatje schoonvegen door hem eens even lekker vertellen hoe de wereld in elkaar zit. Maar dat levert, behalve een zelfgenoegzaam gevoel, geen zak op. Dus ik denk met hem mee. ‘Welk standpunt ga je onderbouwen?’ Joep gaat wat zachter praten: ‘Hier staat het. Ik heb liever niet dat u het voorleest, niet iedereen hoeft het te horen.’ In mijn ooghoek zie ik een Syrische klasgenoot aandachtig meeluisteren. Zijn hoofdpunt is dat woningen niet naar asielzoekers zouden moeten gaan, maar er staat niet waarom. ‘Je moet anderen overtuigen, dus je moet argumenten geven voor je standpunt. Waarom vind jij dat anderen meer recht hebben op die woningen?’ Joep denkt even na. ‘Kijk, ik vind wel dat vluchtelingen en zo een huis mogen. Maar je hebt ook veel gelukszoekers. Het is gewoon te veel.’ 

Tegen elke intuïtie in negeer ik het woord ‘gelukszoekers’. ‘Waarom vind je het ‘te veel’, waar ben je bang voor als het er meer worden? Dat er te weinig huizen voor autochtone Nederlanders zijn? Of dat Nederland verandert?’ Joep: ‘We hebben al te weinig woningen, ik vind gewoon niet dat we die dan weg moeten geven terwijl we niet genoeg voor onszelf hebben.’ 

Hij denkt even na, en zegt dan: ‘U vindt iets heel anders toch?’ Ietwat verrast antwoord ik eerlijk: ‘Ja, ik vind iets heel anders. Maar dat is niet zo relevant voor jouw betoog.’ Joep: ‘Veel mensen doen meteen anders als ik dit soort dingen zeg. Dan zien ze me als een van die gekkies.’ Ik trek hem breder: ‘Dat is naar, maar ik herken het: als je linkse ideeën hebt, word je al snel als radicaal neergezet. Dat is lekker makkelijk voor iedereen: als je iemand die anders denkt in een hokje hebt weggezet, hoef je niet meer naar diegene te luisteren. En zo krijg je polarisatie.’ 

Zo eindigen Joep en ik op een positieve noot, waar ik me een beetje dubbel over voel. In ieder geval ben ik blij dat deze licht ontvlambare situatie niet tot een fikkie heeft geleid. 

Terwijl ik opgelucht terugloop naar mijn bureau, vraagt de Syrische jongen door de klas: ‘Meneer, wat vindt u van Jordan Peterson?’ Ik hou van mijn mavo-uurtje.