Jarenlang stond ik voor de klas in Amsterdam-Zuidoost. Daar zag ik hoe groot de impact van leraren kon zijn, maar ook hoe uitdagend het vak is, zeker voor starters met weinig begeleiding. Die ervaring bracht mij ertoe me in mijn onderzoek te richten op het ondersteunen van leraren: hoe vergroot je hun handelingsrepertoire en daarmee de kansen van leerlingen?
Ik ontwikkel samen met leraren direct toepasbare aanpakken voor kansengelijkheid. Centraal staat een andere blik: oog voor de omstandigheden en kwaliteiten van leerlingen. Dit artikel laat zien hoe je dat in de praktijk vormgeeft.
Drie benaderingen
Er zijn (op basis van Hosseini et al., 2023) drie benaderingen om kansenongelijkheid tegen te gaan. Ze zijn allemaal nodig, maar kennen ook ieder eigen risico’s, valkuilen en beperkingen. Het is belangrijk om je daar als leraar bewust van te zijn. De eerste twee benaderingen zijn bekend, maar in mijn oratie benadrukte ik juist een derde.
- Gelijke behandeling. Deze benadering gaat uit van uniformiteit: alle leerlingen krijgen dezelfde behandeling (denk aan gelijke kansen op instructie of begeleiding). Echter, leerlingen starten op school niet vanuit dezelfde positie: de ene leerling krijgt thuis extra hulp of middelen, de ander niet. Als je als leraar alle kinderen exact hetzelfde behandelt, krijgt niet ieder kind wat het nodig heeft voor een succesvolle onderwijsloopbaan. Soms is het juist nodig om ongelijk te behandelen;
- Compenseren en waarderen. Bij compenseren krijgen sommige leerlingen juist extra ondersteuning, zoals een rustige werkplek of begeleiding na schooltijd, maar dit kan leiden tot lage verwachtingen (deficietdenken). Een waarderende benadering richt zich daarom juist op wat leerlingen wél meebrengen, zoals hun thuistalen of buitenschoolse ervaringen. Toch blijven ook hierbij bredere structuren van ongelijkheid bestaan;
- Social justice-benadering. De social-justice benadering richt zich op bewustwording van bredere ongelijkheidsstructuren in de samenleving, zoals armoede en discriminatie. Inzicht hierin helpt leraren te begrijpen hoe ongelijkheid doorwerkt in het leven van leerlingen en te voorkomen dat zij die versterken. Je kunt bijvoorbeeld het armoedeprobleem niet oplossen, maar door te laten zien aan leerlingen dat een gebrek aan middelen geen persoonlijke schuld is, erken je hun omstandigheden. Dat kan ze het gevoel geven dat ze gezien en erkend worden.
Taal als kracht
In mijn oratie heb ik laten zien hoe je praktisch kunt werken aan verschillende thema’s rond kansengelijkheid, en hoe je daarop kunt inspelen vanuit de drie benaderingen om kansenongelijkheid tegen te gaan. In dit artikel lichten we twee thema’s uit.
Het eerste thema is taal. Leerlingen met een andere thuistaal lopen risico op achterstanden in het Nederlands. Traditionele compenserende maatregelen zoals extra woordenschatinstructie zijn nuttig, maar kunnen deficietdenken versterken. Waarderende aanpakken benutten de thuistalen juist als kracht, vanuit de gedachte dat ze de taalontwikkeling positief stimuleren (Agirdag & Kambel, 2018). In diverse recente studies zijn verschillende positieve uitkomsten van meertalige aanpakken gevonden (Veerman, Danbury, Duarte, Volman & Gaikhorst, 2025).
Een praktijkvoorbeeld: op een vmbo-school krijgen leerlingen bij een geschiedenisopdracht eerst de kans om in hun thuistaal (bijvoorbeeld Turks of Arabisch) met elkaar te overleggen en uitleg te geven. Daarna vertalen ze hun inzichten naar het Nederlands en presenteren ze die aan de klas.
Je kunt naar dit voorbeeld kijken vanuit de benadering van compenseren en waarderen: je ondersteunt waar nodig, maar bouwt ook voort op wat leerlingen al meebrengen. Kijk je vanuit een structureel perspectief, dan zie je dat school- en bestuursbeleid het gebruik van thuistalen soms juist ontmoedigt. Veel scholen hebben regels of richtlijnen die Nederlands als voertaal verplichten, waardoor leerkrachten het lastig vinden om thuistalen een plek te geven – terwijl hier juist een kans ligt om de ontwikkeling van alle leerlingen te versterken.
Buitenschoolse ervaringen
Volgens de Funds of Knowledge-theorie blijven veel kennis en vaardigheden die leerlingen buiten school opdoen onzichtbaar, vooral bij leerlingen met een andere achtergrond dan hun leraren. Dit kan leiden tot onderschatting en discontinuïteit tussen thuis en school, wat voor ongelijke kansen zorgt. Verschillende studies laten positieve ervaren effecten zien van onderwijsaanpakken waarin het zichtbaar maken en/of benutten van buitenschoolse kennisbronnen centraal stond, bijvoorbeeld op betrokkenheid, zelfvertrouwen en motivatie van leerlingen (Volman & ’t Gilde, 2021; Veerman, Karssen, Volman & Gaikhorst, 2023).
In mijn oratie vertelde ik over docent Dwayne, die voor de klas stond in Amsterdam. Een groepje jongens trommelde constant op de tafels en verstoorde de les. In plaats van zich te ergeren of streng op te treden, hoorde Dwayne hun gevoel voor ritme. Hij moedigde hen aan om te trommelen en te rappen, en zette ze zo in hun kracht. Uiteindelijk vormden de jongens een schoolband, groeiden in zelfvertrouwen en kregen een nieuwe positie in de klas en op school.
Dit voorbeeld laat zien dat een kleine ingreep een groot verschil kan maken voor leerlingen. Het benutten van buitenschoolse kennis en ervaringen sluit aan bij de benadering van gelijke behandeling én waardering van verschillen. Als leerkracht laat je zien dat de buitenschoolse ervaringen van alle leerlingen ertoe doen. Zo kunnen alle leerlingen zich verbonden voelen met wat op school gebeurt. Dit thema raakt ook aan een bredere, structurele vraag: welke kennis telt in ons onderwijs en krijgt een plek in het curriculum? En welke perspectieven blijven daarbij mogelijk onderbelicht? Dit soort vragen zou je jezelf en jouw team moeten stellen.
Ik laat in mijn oratie zien dat dit geen extra belasting hoeft te zijn voor toch al drukke leraren, maar hen juist kan versterken. Voor de klas kun je je soms machteloos voelen, omdat je maatschappelijke ongelijkheid niet kunt oplossen. Maar inzicht in wat je als leraar en school wél kunt doen – oog hebben voor de kwaliteiten van leerlingen, hun buitenschoolse kennis en ervaringen, en de omstandigheden waarin zij opgroeien erkennen – maakt daadwerkelijk verschil.
Prof. dr. Lisa Gaikhorst is bijzonder hoogleraar op de CAOP-Sardes leerstoel ‘Gelijke ontwikkelings- en onderwijskansen voor kinderen en jongeren’ aan de Faculteit Sociale Wetenschappen, afdeling Pedagogische Wetenschappen van de Universiteit Leiden.