Geen wonder. Het puberbrein is vóór tien uur simpelweg nog in slaapstand. Zelf merk ik elke ochtend opnieuw hoe groot het verschil is. Het ene moment zit ik voor een groep half slapende tieners die meer lijken op zombies. Natuurlijk vinden wij docenten dat lekker rustig, maar actief in de leerstand zijn ze dan niet. Zodra de kleine pauze is geweest, veranderen ze in nieuwsgierige, pratende, lerende mensen. Dezelfde leerlingen, hetzelfde lokaal, maar een wereld van verschil in energie. Ze zijn soms druk, maar wel wakker. Toch staan wij om half negen vrolijk te zwaaien met grammatica, wiskundige formules of een literaire tekst, terwijl de leerlingen geestelijk nog onder hun dekbed liggen. Die eerste twee lesuren zijn dus eigenlijk hersengymnastiek zonder de hersenen te gebruiken.

Soms vraag ik me af hoeveel potentie we dagelijks laten liggen omdat we vasthouden aan tijden die ooit voor en door volwassenen zijn bedacht. Misschien is het tijd dat we eens écht naar de leerlingen kijken in plaats van naar de klok.

Neuropsycholoog Jelle Jolles noemt het tienerbrein ‘werk in uitvoering’. De prefrontale hersengebieden, die nodig zijn om te plannen, te concentreren en keuzes te maken, zijn nog volop in ontwikkeling. Tieners functioneren daardoor anders en hun biologische klok loopt simpelweg later. Ze zijn geen ochtendmensen; ze kunnen het gewoon nog niet. In Het tienerbrein schrijft Jolles: ‘De tiener is geen luie volwassene, maar een jong mens in ontwikkeling. Het brein werkt anders, en dat vraagt om ander onderwijs.’

De discussie over later beginnen blijft vaak steken in verwijten. ‘We pamperen ze,’ ‘Ze moeten leren vroeg op te staan, wij moesten dat vroeger ook,’ en ‘Hun werkgever vraagt dat later ook’. Alsof discipline de biologie kan overstemmen. We passen wél onze roosters aan voor sporttoernooien of studiedagen, maar zodra het over slaap en welzijn gaat, is de weerstand groot.

Natuurlijk is het ook een discussie waard of dit niet deels komt door het gedrag van de TikTok-generatie, waarin jongeren tot diep in de nacht door hun feed scrollen. We hebben de opvoeders nodig om hun kinderen op tijd in bed te krijgen en te beperken in hun schermtijd, maar afgezien daarvan is tussen de twaalf tot zestien jaar de fase waarin jongeren het meest gevoelig zijn voor slaaptekort. Ondertussen fietsen ze ’s ochtends in het donker een half uur naar school, vaak zonder ontbijt, om dan gapend hun eerste toets te maken.

En nee, later beginnen betekent niet dat we anderhalf uur lestijd verliezen. Misschien leren leerlingen juist méér in minder tijd. Een uitgerust brein onthoudt beter, concentreert langer en verwerkt informatie efficiënter. Liever één wakker uur dan twee dromerige. Het zou zomaar kunnen dat als ook wij experimenteren met latere starttijden, we niet alleen minder verzuim zien, maar ook betere cijfers en minder incidenten in de klas. Leerlingen blijken socialer, minder prikkelbaar en kunnen langer bezig blijven met een taak. Ook docenten zullen meer rust ervaren: het eerste uur voelt minder als trekken aan een dood paard en meer als lesgeven.

Stel je eens voor dat we het omdraaien. De schooldag begint om tien uur. Van half negen tot tien gebruiken docenten om lessen voor te bereiden, toetsen na te kijken of gewoon even rustig een kop koffie te drinken en zo nodig te vergaderen. Basisscholen kunnen wel gerust om half negen starten, want jonge kinderen hebben van nature juist een vroeger ritme. Dus daar moeten we vanaf blijven.

Laat ze dus maar wat langer slapen, die pubers. Niet uit gemak, maar uit verstand. Want als we echt willen dat leerlingen wakker zijn in de les, moeten we ze misschien eerst even laten liggen.

 

Jitske van den Bovenkamp is docent Duits.