Kansengelijkheid is een belangrijk aandachtspunt voor het onderwijs. Het heeft deze verbubbelde maatschappij als decor. Het ministerie van OCW heeft ten aanzien van kansengelijkheid voor alle kinderen goed onderwijs als doel gesteld. Daarbij mag het inkomen of de opleidingsachtergrond van ouders geen verschil maken. Iedere leerling verdient een veilige basis en een stimulerende omgeving, maar niet ieder kind groeit op in dezelfde omgeving. Om kansengelijkheid te bevorderen neemt de overheid verschillende maatregelen. Zo krijgen scholen geld voor het organiseren van extra lessen of activiteiten en hulp bij het regelen van schoolmaaltijden. 

Wie kan het daar nu niet eens mee zijn? Het gaat immers om belangrijke maatregelen die scholen én kinderen helpen. Tegelijkertijd regelen steeds meer ouders bijles voor hun kinderen. Een aanzienlijk deel van de ouders vertrouwt er blijkbaar onvoldoende op dat het onderwijs hun kinderen daadwerkelijk een eerlijke kans geeft. Opvallend is daarbij, zo blijkt uit recent onderzoek onder het landelijk ouderpanel van de stichting Ouders & Onderwijs, dat ouders met een migratieachtergrond (44 procent) vaker geld uitgeven aan bijles dan ouders zonder migratieachtergrond (24 procent).

We werken allemaal hard aan het vergroten van de kansen voor onze kinderen. Maar als we dat blijven doen vanuit de bestaande bubbels, dan vrees ik dat we er niet komen. Naast de bubbels die worden gevormd door opleidingsniveau, inkomen, etniciteit of religie, zitten we ook vaak in de bubbel van de maakbaarheid. Immers, een groot deel van genoemde maatregelen gaat uit van de maakbaarheid van het onderwijs: protocollen en interventies die voornamelijk gericht zijn op cognitieve ontwikkeling. Dit maakbaarheidsgeloof werkt vaak vooral voor wie al strategisch voordeel heeft: ouders die systemen doorzien, leerlingen die moeiteloos passen in de gestandaardiseerde malletjes en scholen die kunnen sturen op cijfers die ertoe doen.

Maar wie echt kijkt naar leerlingen, ziet dat onderwijs zich nooit helemaal laat plannen. En dat er iets anders veel belangrijker is, namelijk dat we een kind niet reduceren tot zijn beginpunt of voorspelde eindscore, maar dat we open blijven voor wat nog níet zichtbaar is. Omdat we oneindig vertrouwen hebben in de nieuwe generatie. Dan wordt kansengelijkheid niet een technisch vraagstuk dat we oplossen met nog een set maatregelen, maar is het een keuze voor een houding en pedagogische overtuiging. Een besluit om het wonder dat onderwijs heet niet alleen te erkennen, maar ook mogelijk te maken.

 

Marijke Floris is lid van het College van Bestuur van Verus, vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs.