De tien van Den Haag behandelt de belevenissen en houding van de tien secretarissen-generaal (SG’s) vanaf de meidagen van 1940. De toenmalige ministers vertrokken op 13 mei 1940 naar Groot-Brittannië, toen verzet tegen het Duitse leger kansloos bleek. De SG’s waren toen feitelijk de hoogste gezagsdragers van het land geworden. Zij hadden vanaf medio mei 1940 te maken met een bezetter en de plannen die deze had met het overrompelde Nederland. Steinmetz beschrijft hoe de SG’s worstelden met hun rol, hoe ze bij Rijkscommissaris Seyss-Inquart bedongen dat ze konden blijven zitten zolang ze dat wilden, maar ook dat ze zonder probleem konden terugtreden als ze het beleid van de bezetter niet langer voor hun rekening wilden nemen. Oftewel: ze liepen geen enkel gevaar als ze dit beleid niet langer wilden uitvoeren. 

Vervolgens neemt Steinmetz ons mee langs de steeds misdadiger bevelen, beleidsregels en wetten die de Nederlandse ambtenaren moesten uitvoeren. Van het verbod om nieuwe Joodse ambtenaren aan te nemen, naar het ontslag van zittende Joodse ambtenaren, via de isolatie en algehele uitsluiting van de Joodse bevolking, naar deporatie. Steimetz doet dat heel goed. Je voelt het ongemak, de toenemende walging, het machteloze verzet en het krachteloze gemurmel van de eens zo stoere, goed geklede en goed verdienende mannen tegenover de gehaaide praktijken van misdadigers als Seyss-Inquart en Rauter. Telkens weer zie je de topambtenaren meebewegen met immorele wetten en regels. En als ze al aftreden, doen ze dat niet om morele of ethische redenen, maar steeds om persoonlijke. Achteraf is het gemakkelijk praten, maar toch bevangt de lezer ontzetting over zoveel dociel gedrag en volgzaamheid – terwijl deze mannen zelf geen enkel gevaar te duchten hadden.

In veel van de motiveringen om heel lang mee te blijven bewegen met foute wetgeving komen woorden voor als ‘nu eenmaal’: de Duitsers vormen ‘nu eenmaal’ het nieuwe gezag, deze anti-Joodse maatregel heeft ‘nu eenmaal’ kracht van wet, we zijn ‘nu eenmaal’ verantwoordelijk voor een ordelijk verloop van de gang van zaken. Op die woorden ‘nu eenmaal’ sla ik aan. Hier kunnen we denk ik, met alle verschillen, allemaal van de geschiedenis leren. Ook nu nog klinkt vaak als laatste argument in gesprekken over het al dan niet doen van wat goed is: ‘Zo staat het nu eenmaal in de wet, in de richtlijn, in de beleidsregel’. Of: ‘Zo hebben we het nu eenmaal met elkaar afgesproken’. Of: ‘zo staat het nu eenmaal in het schoolplan’. En als OR-lid hoor ik mezelf af en toe zeggen: ‘Zo staat het nu eenmaal in de CAO’. 

Ik denk dat als je de zinsnede ‘nu eenmaal’ hoort of zelf uitspreekt, het zaak is op je hoede te zijn. Wordt nu van mij niet gevraagd iets te doen wat ik juist níet moet doen? Als het goed is, beschermt de wet de zwakken. Maar als welke wet dan ook legalistisch wordt uitgelegd en gedwee wordt toegepast, is het oppassen geblazen. Dat is de les die De tien van Den Haag mij persoonlijk leert. Het is goed dat onze topambtenaren dit boek lazen. Laten we dat allemaal doen.

 

Anne Bergsma is inspecteur voortgezet onderwijs en vicevoorzitter OR Onderwijsinspectie