De belangstelling van jonge mensen voor het onderwijs is groot. In 2025 meldden zich meer dan 600 studenten bij Stichting Proefwerk om ervaring op te doen in het basis- en voortgezet onderwijs. Ongeveer 200 van hen konden daadwerkelijk geplaatst worden op een school. Als ‘Proefwerker’ draaien zij tijdens of vlak na hun studie mee in de klas: zij ondersteunen docenten, begeleiden leerlingen en maken zo op een laagdrempelige manier kennis met het beroep. Een deel van hen besluit daarna een lesbevoegdheid te halen. Het gaat om studenten met uiteenlopende studieachtergronden, die niet via de reguliere routes al voor een lerarenopleiding hebben gekozen, maar eerst in de praktijk willen verkennen of het onderwijs bij hen past.

Eline Baaleman (24), Véronique Hanff (22) en Jessi Truong (25) zijn hoogopgeleid en kozen bewust voor een studie-switch om voor de klas te kunnen staan. Gesprekken met de jonge aankomende docenten laten zien dat hun motieven sterk uiteenlopen, maar dat er ook overeenkomsten zijn. Zo kiezen ze voor het onderwijs omdat dat maatschappelijke impact heeft. Dat blijkt ook onderzoeken van de Erasmus Universiteit. 

Voldaan gevoel

Voor Eline Baaleman is de inhoud leidend. Ze gaat na haar master Econometrie een educatieve master doen voor een eerstegraads bevoegdheid bètawetenschappen, zodat ze eigenhandig wat kan doen aan het stoffige imago van haar vak wiskunde. ‘Het wiskundige deel van mijn studie Econometrie was top, maar ik vond het saai om alleen maar achter een computer te zitten.’ Ze wil het imago van wiskunde verbeteren. Vorige week zei een leerling: “Wow, ik snap dit nu gewoon”. Dat is het ultieme doel,’ vertelt ze glunderend.

Véronique Hanff heeft een studie Toegepaste Wiskunde afgerond en gaat nu een zij-instroomtraject doen. Ze ziet de docent als een cruciaal onderdeel van de maatschappij en vindt het bijzonder om een belangrijk onderdeel te zijn van iemands leven. ‘Ik weet nog precies welke docenten voor mij het verschil maakten. Dat je zoiets voor een leerling kunt betekenen, lijkt me heel mooi.’ Ook de verantwoordelijkheid spreekt haar aan.

Jessi Truong studeert Taalwetenschappen en gaat een educatieve minor doen voor tweedegraads bevoegdheid Nederlands. Ook zij wil die fijne docent zijn die leerlingen erdoorheen helpt, zoals ze dat zelf ook heeft ervaren in haar eindexamenjaar. Daarnaast geeft ze aan dat haar jonge leeftijd het gemakkelijker maakt om een band op te bouwen met de leerlingen. ‘Sommige leerlingen durven aan een ervaren docent niets te vragen, maar stappen gemakkelijk op mij af. Als een leerling dan opgelucht de bijles uitloopt omdat ze het eindelijk snapt, geeft dat een voldaan gevoel.’

Deze nieuwe generatie brengt frisse energie, maar kijkt ook met een realistische blik naar het vak. Het zijn aanpakkers die niet terugdeinzen voor ingewikkelde situaties en al volop meedraaien in de dagelijkse praktijk. Alle drie maken ze bewust deze keuze omdat ze al op scholen werken: ze bewegen zich zelfstandig in de schoolsetting, geven uitleg aan kleine groepen, ondersteunen vakdocenten en kennen de teams en de processen. 

Werkdruk

Eline maakt zich over de werkdruk niet zo’n zorgen. ‘Met de werkhoeveelheid komt het wel goed. Gewoon goed plannen toch?’ Véronique zegt dat ze zich snel verantwoordelijk voelt en veel oppakt. ‘Ik wil mezelf beschermen door in het begin misschien wat minder uren te draaien, maar ik maak me geen zorgen over de werkdruk.’ 

Natuurlijk dromen ze van leergierige klassen en meewerkende ouders, maar ze zijn realistisch genoeg om te weten dat de praktijk weerbarstiger is. Juist die dynamiek, bouwen aan een band met de leerling en de hele groep meekrijgen, vinden ze het spannendste en mooiste aspect van de baan. Ze zijn klaar om de uitdaging aan te gaan en er te zijn voor de leerlingen die een extra zetje nodig hebben.

De passie voor het onderwijs is bij hen volop aanwezig. Uit de gesprekken blijkt dat hun beeld van een fijne werkomgeving weinig verschilt van dat van ervaren docenten: duidelijke organisatie, ruimte om het vak eigen te maken en begeleiding in de startfase.

Heldere organisatie

Eline geeft aan dat ze erg georganiseerd is. ‘Als de schoolorganisatie een zootje is, trek ik dat naar me toe. Dus als de structuur op school goed staat, voorkomt dat dat ik als starter gaten ga dichtlopen. Dat is prettig, zoals alle docenten steek ik mijn energie het liefst in mijn vak en in de klas.’

De tijd en vrijheid om het vak eigen te maken motiveert hen. Ze hebben er plezier in de methode aan te vullen met eigen, interactieve werkvormen die aansluiten bij de belevingswereld van hun leerlingen.

‘Een fijne vaksectie en een maatje om mee te sparren helpen om goed te starten,’ vertelt Jessi. ‘Niet in je eentje in het diepe worden gegooid, maar ook de ruimte krijgen om het vak te leren.’ Ze benaderen hun start niet als proefperiode, maar als een serieuze stap in het vak. Ze willen groeien in hun rol voor de klas en in het team.

 

Emilie Barnasconi is verantwoordelijk voor strategie en ontwikkeling bij Stichting Proefwerk.