Leraar zijn, dat is toch niet zo moeilijk? Voor de coronacrisis had het vak niet zoveel aanzien, zeker ook niet als je het vergelijkt met vroeger. De onderwijzer met aanzien veranderde in de leraar ‘die slecht verdient en veel vakantie heeft’. Ook het programma Luizenmoeder, hoewel erg grappig, schetste een kneuterigheid die het vak niet verdient. Tijdens de coronacrisis werd ook duidelijk hoe lastig het beroep is; ouders kwamen erachter dat het geen sinecure is om kinderen les te geven. 

De drie geportretteerden zijn trots op hun vak. Volgens onderwijsambassadeur Jasper Rijpma bereik je beroepstrots vooral door samen lessen voor te bereiden. Docent Duits Jim Voorhorst is vooral trots als hij door de stad loopt en op iedere hoek door ouders of (ex-)leerlingen wordt aangesproken. Mbo-docent Dimitri van Dillen is er met name trots op bij te dragen aan de toekomst van jongeren.

‘100 procent trots op mijn beroep’

Jasper Rijpma, onderwijsambassadeur, in 2014 Leraar van het Jaar en tot voor kort docent geschiedenis bij openbare vwo-school het Hyperion Lyceum in Amsterdam:

‘Ik zie in de beroepsgroep veel bevlogenheid, die voortkomt uit liefde voor het vak. Sommige docenten houden vooral van kennisoverdracht, andere van het pedagogische aspect of de maatschappelijk opdracht. De frustratie ligt bij de werkdruk, de verslagleggingslast of dat leraren er alleen voor staan. De onderwijskwaliteit en het werkplezier verbeteren bij meer samenwerking.

Als onderwijsambassadeur (opvolger van Mark Rutte) zie ik het als mijn rol om het onderwijs in een positief daglicht te zetten. Het leraarschap wordt in Nederland helaas niet door iedereen als een hoogwaardig beroep gezien. Het aanzien van de leraar is ook niet meer zoals vroeger. De onderwijzer was iemand van stand. Door de HOS-nota uit 1985 – onder toenmalig minister Deetman – bevroren de lonen en kreeg het beroep het stigma van de slechtverdienende leraar. De maatschappelijke status is sindsdien gedaald. Op feesten en partijen hoor je soms nu nog zeggen: “Zit jij in het onderwijs? Kan je niet méér?”’

Veel voldoening

‘Het is zeker een aantrekkelijk beroep. Het is een misverstand dat het salaris slecht is, dat is niet waar. In mijn podcast Lesboeren heb ik veel startende leraren gesproken die zeiden: het werk geeft veel voldoening. Zelf ben ik 100 procent trots op mijn beroep. De maatschappelijke en pedagogische opdracht geeft me veel voldoening. Het is het mooiste beroep dat er is. Ik kan me geen beter beroep voorstellen.’

Beroepsbeeld en bekwaamheidseisen

‘Het is goed dat er een beroepsbeeld is en dat er gewerkt wordt aan het herijken van de bekwaamheidseisen. Maar hoeveel leraren weten dit? Het is zeker een stap in de goede richting. Maar het is ook een beetje een papieren tijger, het zou een levend document moeten worden. Daar moeten we het gesprek over voeren. De bekwaamheidseisen zouden uiteindelijk verankerd moeten worden in de lerarenopleidingen. Ze kunnen zeker het imago van het beroep verbeteren, mits de beroepsgroep ze omarmt. Dan moet de meerderheid van de leraren erachter staan. Neem een ontwikkeling als AI. De meningen verschillen over wat we daarmee moeten of kunnen.’

Computertaak toegenomen

‘Ik herken niet die grote boze overheid die gericht is op verantwoording en controledrang. De overheid is ondersteunend. Ik zie wel dat door de toegenomen verslaglegging veel leraren te lang achter hun computer zitten, ook in de pauze. Waar vroeger gezellig gekletst (en gerookt) werd in de lerarenkamer, zie je nu leraren meer in hun lokalen blijven.’

Leraarschap als teamsport 

‘Het beroep moet geen solistische aangelegenheid zijn. Vakmanschap ontwikkel je met elkaar. Hoe je het onderwijs wilt vormgeven, bedenk je samen. Het leraarschap is een teamsport, of zou dat moeten zijn. Ik hoor te vaak dat starters vinden dat ze er alleen voor staan. De bekwaamheidseisen gaan ook te veel uit van de individuele vaardigheden van de leraar. Een gemiste kans. Als team moet je de lessen samen voorbereiden. Dan ontstaat beroepstrots.’

Collectieve verantwoordelijkheid

‘Het zou goed zijn als er een beroepsorganisatie is waar leraren actief lid van zijn, een beroepsorganisatie met een gedragen normatief kader die staat voor wat goed onderwijs is. Deze organisatie kan het leraarschap als collectief beroep – als teamsport – positioneren. Je realiseert goed onderwijs als je de deur (letterlijk) openhoudt en bij elkaar in de lessen kijkt. Als leraren het met elkaar eens zijn over deze voorwaarden, wordt het echt een beroep waar iedereen trots op is.’ 

’Mijn rol betekent veel in het leven van kinderen’

Jim Voorhorst, docent Duits en Nederlands op Lassus Campus, een openbare onderwijsinstelling in Zwolle waar verschillende onderwijstypen zijn gehuisvest, en schoolopleider: 

‘De Staat van de Leraar kort samengevat: ik vind leraar een ondergewaardeerde baan, waar steeds meer verantwoordelijkheid naar toegeschoven wordt. Het leraarschap wordt in Nederland niet als hoogwaardig beroep gezien. De aanwas naar de lerarenopleidingen is beperkt. Het is: onbekend, maakt onbemind. Veel mensen weten niet wat het vak inhoudt en hoe veelzijdig het is. Iedereen die een schoolopleiding heeft afgerond vindt zichzelf ervaringsdeskundige, denkt te weten wat het inhoudt. De werkelijkheid is anders.

Ik ben trots op mijn vak. Als ik door de stad loop, word ik op iedere hoek aangesproken door ouders of (ex-)leerlingen. Mijn uitdaging is om het goed te doen voor leerlingen. Iedere dag bereik ik iets bij iemand. Of ik maak een praatje met een leerling die vastloopt. Die rol betekent veel in het leven van kinderen.’

Rol zorgverlener

‘De bekwaamheidseisen kende ik niet. Het document dat de redactie mij mailde, is erg lijvig, bijna vijftig pagina’s. De hoeveelheid eisen en specificaties waar de leraar aan moet voldoen, is enorm. Ik krijg het gevoel dat de rol van docent verschuift naar die van zorgverlener. Het stuk over de vakinhoud is ultrakort. Het pedagogische deel is juist zeer uitgebreid, maar die vaardigheden verschillen enorm per onderwijstype. Een vakdidacticus schrikt hiervan, je moet zo ontzettend veel in je mars hebben. Het lijkt een tendens de docent te zien als een soort opvoeder die links of rechts nog wat vakinhoud meeneemt.’

Authentiek lesgeven

‘Er is geen leraar die aan al die bekwaamheidseisen kan voldoen. Je gaat dan voorbij aan het authentiek lesgeven, de mens erachter. Iedere docent heeft zijn eigen aanpak, iedere leerling zijn eigen leervoorkeuren. Dat maakt het lesgeven ook zo dynamisch. Door het in een keurslijf te stoppen, maak je het lesgeven te gekunsteld.’

Professionalisering 

‘Ik vind dat professionalisering toegankelijker moet zijn voor leraren. De vele lesuitvallen zijn een druk op je planning. Er moet meer ruimte zijn om scholing binnen je uren te volgen. Het is vaak lastig om hiervoor een paar dagen vrij te krijgen. Je zit in een spagaat. Er is wel een ruim professionaliseringsbudget, nu de tijd nog.’

Misverstand leraarschap

‘Het grootste misverstand van de buitenwereld gaat over het slechte salaris en de hoeveelheid vakantie. Het verdient tegenwoordig best goed. Wat betreft de vakanties: je maakt als leraar gemiddeld een extra dag per week door overleggen, nakijkwerk en oudergesprekken. Eigenlijk onbetaald werk. Die “vakantie-uren” maak je dus op andere momenten, of in de vakantie zelf.’

‘In eigen bubbel’

‘Het lesgeven wordt soms nog wel eens verdrongen door het verantwoorden. Eindeloze protocollen, administratie en beoordelingsformulieren om maar te kunnen uitleggen waarom je doet wat je doet. Ons vak moet gestoeld zijn op vertrouwen, niet op documenteren.

De druk op leraren is groot, van de maatschappij, de overheid en ouders. Ik ben eigenwijs: ik creëer mijn eigen bubbel in de klas. Ik kan letterlijk de deur van het klaslokaal dichtdoen en mijn ding doen, wat ik denk dat het goede is. Daar haal ik veel voldoening uit. De randvoorwaarden zijn bijzaak. Omgaan met leerlingen, daar word ik gelukkig van.’

Geen eenheidsworst

‘De publieke opinie over het vak moet veranderen. Docenten moeten weer de experts zijn. Ouders krijgen te veel ruimte om te onderhandelen over hun kind. Tegenwoordig moet alles in overleg, mag je een weerwoord hebben. De kwaliteit van het onderwijs staat onder druk, wordt gezegd. Maar dit los je niet op door het vak te bureaucratiseren, met protocollen en randvoorwaarden. Het moet geen eenheidsworst worden: juist door de verschillen tussen docenten leren kinderen zichzelf beter kennen.’ 

‘Het mbo moet af van de Calimero-houding’

Dimitri van Dillen, docent retail bij ROC van Twente, Leraar van het Jaar 2022-2023 en ook spreker/dagvoorzitter:

‘Het leraarschap vind ik uitdagend, bewogen en intensief. Er verandert veel in de wereld. Studenten fact-checken via YouTube/TikTok/Snapchat en hechten soms meer geloof aan influencers dan aan de docent. De rol van de docent verschuift van autoriteit naar gids, de vakinhoudelijke wegwijzer in een informatierijke wereld. 

Ik ben vooral trots op mijn prachtige vak. Wij leiden jongeren op tot vakbewame professionals van de toekomst. Ik vind het hartstikke mooi met deze doelgroep om te gaan. Het is niet gemakkelijk om op jonge leeftijd keuzes voor de toekomst te maken. In bucketlist-lessen laat ik studenten grote en kleine doelen formuleren. Ik wil van studenten horen wat hun passie en drijfveer is. Als leraar kun je de harten van studenten bereiken. Jij maakt het verschil!’

3 p’s

‘Bij de bekwaamheidseisen gaat het volgens mij om de drie p’s: pedagogiek, professionaliteit en persoonlijk meesterschap. Een leraar die zelf niet groeit, kan een student ook niet laten groeien. Ik professionaliseer me in digitale geletterdheid. Het is belangrijk up-to-date te zijn en daarom loop ik zelf jaarlijks stage in de retail. Dan krijg ik handvatten van wat studenten in de praktijk nodig hebben. Die bekwaamheidseisen zijn belangrijk om te weten wat je moet kunnen, maar ik ben er niet elke dag bewust mee bezig. Ook een Lerarenregister of ander keurmerk vind ik goed, omdat het de bekwaamheid per sector zichtbaar maakt. Maar het moet wel een organisch document zijn, dat meebeweegt met maatschappelijke en technologische veranderingen. Onderwijs moet adaptief zijn. Technologie is voor mij een middel om dichter bij de belevingswereld van studenten te komen. Wij moeten studenten opleiden in de vakken van de toekomst. Dit roept wel vragen op over de houdbaarheid van opleidingen en bekwaamheid van docenten.’

Imago mbo

‘De bekwaamheidseisen an sich dragen niet bij aan een beter imago van het vak, denk ik. Als docent moet je zelf trots uitstralen: je draagt bij aan de toekomst van jongelui. Je leidt ze op tot de persoon die ze willen worden. Als docent ben je ambassadeur van je eigen vak. Het grootste misverstand is dat je in het mbo allemaal ongemotiveerde studenten hebt. Dat is niet zo, je moet ze alleen weten te bereiken. Heb je een toolkit paraat? En help je studenten als ze het moeilijk hebben of niet weten welke keuzes ze moeten maken? Het mbo moet af van de Calimero-houding, die onderwaardering. Kijk juist naar de skills die mbo-studenten meebrengen.’

‘Het beeld van de slechtverdienende leraar klopt niet. En veel vakantie? Je maakt meer uren dan op papier. Maar veel vakantie moet sowieso geen drijfveer zijn als je leraar wilt worden.’

Werkdruk

‘Ik kan goed met de werkdruk omgaan. Je hebt soms te weinig tijd voor administratie. De methodes kunnen helpen om snel een programma te maken, maar ik vind dat studenten zich niet hoeven aan te passen aan onze methodes. Wij leven in hun wereld. Zij zijn onze toekomst. Ik geef lessen burgerschap, LOB en AI. Ik ben voorstander van programmatisch toetsen, waar de nadruk ligt op kwalitatieve groei en het proces. Kan een student overleggen of een taakverdeling maken? Ik kies er bewust voor om de focus op interactie en het begeleiden van studenten, ook op emotioneel vlak, boven papierwerk te stellen.’