Werknemers die gebruikmaken van hun vrijheid van meningsuiting komen soms in conflict met hun werkgever, hoor je weleens. Dan denk ik onwillekeurig: het is toch geen teken van kracht of zelfvertrouwen als je naar disciplinaire maatregelen grijpt om kritiek binnenskamers te houden? Een paar jaar geleden oordeelde de rechter – pas na cassatie bij de Hoge Raad! – dat het ontslag van een leraar onrechtmatig was. Zij had een kritisch boek geschreven over haar school. Deze kritiek werd door haar werkgever als ondermijnend beschouwd, mede omdat via dat boek de buitenwacht kon kennisnemen van de verschillen van inzicht binnen de instelling over het gevoerde onderwijsbeleid. Dat ontslag, zo bepaalde de rechter uiteindelijk, was onrechtmatig; het boek viel onder de vrijheid van meningsuiting. Afgezien van het juridische: wat iemand drijft die een kritische medewerker ontslaat, is me een raadsel.
Een conflict als dit raakt aan begrippen als loyaliteit en tegenspraak. Op internetplatforms zie je de laatste tijd verschillende gesprekken over deze begrippen gevoerd worden, soms ook in de combinatie ‘loyale tegenspraak’. Een boeiende app-wisseling hierover is te vinden op Publiekdenken.nl. Een van de kwesties die Erik Pool (programmamanager dialoog en ethiek) en Mark Frequin (expert publiek leiderschap) daar aansnijden is: hoe verhoudt loyaliteit zich tot tegenspraak? Leidinggevenden vinden werknemers die hun mond opendoen vaak niet loyaal. Zie ook het voorbeeld van de ontslagen leraar. Anderzijds, moet een ambtenaar niet in de eerste plaats loyaal zijn aan de burgers, moet een leraar niet in de eerste plaats loyaal zijn aan de leerlingen? Als men tegenspraak als niet loyaal beschouwt en daarmee als ondermijnend, wordt tegenspraak verdacht. En dat is niet goed. Constructieve tegenspraak, geformuleerd op de juiste toon, kan en wil een leider juist behoeden voor blinde vlekken. Tegenspraak kan een organisatie behoeden voor tunnelvisie.
Een te lichtvaardig beroep op loyaliteit leidt bij medewerkers tot zelfcensuur en het duiken voor verantwoordelijkheid. Echt goede tegenspraak vraagt dat je met elkaar in verbinding blijft. En dat eist persoonlijk leiderschap van alle partijen. Erik Pool: ‘Ga geen armpje drukken. Baseer je koppigheid op de ambitie om goed bestuur te bevorderen en schroom niet de bestuurder daarmee te confronteren’.
Een overspannen beroep op (verkeerd begrepen) loyaliteit doet mij denken aan het boek Prometheus (1919) van de Nederlandse schrijfster Carry van Bruggen. Daarin zet de schrijfster twee menselijke neigingen tegenover elkaar: distinctiedrift een eenheidsverlangen. Volgens Van Bruggen is eenheidsverlangen een vorm van doodsdrift. De eis van loyaliteit is in deze termen een eis tot eenheid, tot het wegcijferen van de waarden van het individu. Dat is geen bewijs van kracht, maar van zwakte. En natuurlijk, een organisatie, een school die louter bevolkt wordt door querulanten en roeptoeters is ook geen lang leven beschoren. Dan is geen sprake van tegenspraak, maar van tegenwerken.
Tegenspraak is voorwaardelijk voor goed bestuur en het is dan ook nuttig dat iedereen weet dat in publieke organisaties tegengesproken wordt. Een organisatie met een gezond fundament koestert vele vormen van tegenspraak. Als tegenspraak wordt beschouwd als ondermijnend, is er iets mis met het fundament.