Het onderwijssysteem richt zich op de gemiddelde leerling. Het leerrecht in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is echter ook voor niet-gemiddelde leerlingen bedoeld. Daarom moeten we het onderwijssysteem en de -praktijk zo hervormen dat uitvallers erin passen. Dat kan door leerlingen te behandelen en begeleiden als autonome individuen (in wording). In dit artikel geven we enkele voorbeelden hoe je dat als leraar in praktijk kunt brengen.

Probleem erkennen

In het rapport Thuiszitters tellen 2024, een ander licht op passend onderwijs van oudervereniging Balans staan aanbevelingen die kunnen helpen dit probleem op te lossen, zoals gezamenlijk erkennen dat uitval en de consequenties daarvan een probleem vormen. Nu wordt het nog te vaak gezien als het probleem van een individuele leerling en de ouders. Ook bepleit het rapport een transformatie van het onderwijssysteem, zodat de meeste kinderen er wél in passen. Allereerst moeten we erkennen dat niet de leerling zich hoeft aan te passen, maar het systeem: weg met de norm die de gemiddelde leerling als uitgangspunt neemt voor onderwijs en begeleiding. Stem het onderwijs beter af op álle leerlingen en erken de verschillen tussen hen. Dat maakt onderwijs daadwerkelijk inclusief. Richt het onderwijs in op de hele ontwikkeling van elk kind; dus geef naast kennis en inzicht ook aandacht aan de sociale en de persoonlijk ontwikkeling. 

Leerling écht zien

Bij praktijkvakken in het mbo voeren leerlingen in het derde en vierde leerjaar zelfstandig praktijkopdrachten uit en leggen hierover verantwoording af aan hun opdrachtgever of leraar. Gedurende de uitvoering is er aandacht voor de verschillende manieren waarop leerlingen het werk aanpakken en ook of ze meer of minder begeleiding nodig hebben. Het is opvallend hoe gemotiveerd leerlingen zijn bij het uitvoeren van die opdrachten.

Daar kunnen we van leren in het algemeen vormende onderwijs. Het gaat erom dat we leerlingen écht zien en helpen bij het leren dat op dit moment voor hun urgent is. Dan staan ze aan en kunnen en willen alles wat ertoe doet leren. (Dekker & Jolles, 2014).

Praktische aanpak

Maak in het onderbouwrooster ruimte voor onderwijsblokken voor bijvoorbeeld de helft van de onderwijstijd. Doorbreek daarbij de klassenindeling van een leerjaar óf voeg twee leerjaren samen. Maak daarna zoveel mogelijk heterogene (stam)groepen. 

Gedurende een aantal weken gaan leerlingen zowel zelfstandig als in kleine groepjes hun leervragen onderzoeken. De leervragen kunnen voortkomen uit een bepaald thema, een actuele gebeurtenis of een vraag waar een leerling mee rondloopt. Hoe meer de leervraag van betekenis is voor de betreffende leerlingen, des te groter de kans dat ze die leervraag diepgaand gaan uitzoeken. Het proces mondt uit in een zelfgekozen eindproduct. 

Leraar als steigerbouwer

Je biedt als docent ondersteuning zonder vast te leggen hóe en wát de leerlingen moeten doen. Jij bouwt de steigers, maar zij construeren én bouwen het gebouw.

Wees je er voortdurend van bewust dat een verandering niet alleen voor jou, maar ook voor je leerlingen moeilijk is. Leg ze daarom uit waarom je dit met hen wilt oefenen. Vertel wat ze van jou kunnen verwachten. Verwacht veel van hen, maar blijf realistisch. 

De verschillen tussen de leerlingen in leerstijl, kennisniveau, achtergrond, tempo en niveau vragen een ongelijke behandeling en begeleiding van de leerlingen. Om hen gelijkwaardig te behandelen is het nodig rekening te houden met de onderlinge verschillen. Zo creëer je mogelijkheden om de kansengelijkheid te vergroten. Als leraar stuur je waar nodig de leerlingen aan, zowel inhoudelijk als procesmatig, zodat zij zoveel mogelijk in hun zone van naaste ontwikkeling werken. Daarmee wordt bedoeld een niveau dat net iets hoger ligt dan wat de leerlingen zonder hulp aankunnen (L. Vykotsky, 1978).

Reflectie en evaluatie

Voor meer autonomie bij het leren is het essentieel dat alle leerlingen leren reflecteren op de activiteiten die ze hebben uitgevoerd: in hoeverre hebben die bijgedragen aan het beantwoorden van de leervraag of het behalen van de eindopdracht? Zijn er nog aanvullende acties te doen om het resultaat te optimaliseren? Reflecteren kan individueel, maar ook gezamenlijk in een groep.

Evaluatie aan het eind van de periode maakt aan zowel leerlingen als leraar duidelijk wat goed werkte in het proces, de samenwerking en de begeleiding, en wat beter kan. Om het leerproces goed te monitoren en verantwoording af te leggen aan ouders, schoolleiding en inspectie, leg je reflecties en evaluatie vast, bijvoorbeeld in een leerlingvolgsysteem of digitaal logboek. Regelmatig bespreken de leerlingen hun reflecties met de leraar.

Hoe ga je verder?

Met deze eerste stap geef je leerlingen en jezelf de kans om te oefenen in het geven en nemen van verantwoordelijkheid en laat je hun ervaren hoe ze zelfstandig kunnen leren en werken aan leerdoelen en -vragen. Deze aanpak past heel goed bij het concept van ontwikkelingsgericht onderwijs, zoals dat bij jenaplan-, dalton-, montessori, slimfit- en unitscholen al op verschillende manieren vorm krijgt. Leerlingen krijgen hier in meer of mindere mate de ruimte om hun onderwijsproces zelf en met elkaar vorm te geven. Dat gaat vervreemding tegen en stimuleert dat het onderwijs meer aansluit bij de interesses van de leerlingen. Meer autonomie en zelfstandigheid in het leerproces bevordert bovendien dat het onderwijsproces beter bij hen past en zij met meer plezier naar school gaan. Kortom: Meer autonomie voor leerlingen beperkt het aantal uitvallers.

 


Jos de Mulder en Cilia Born zijn voor en na hun pensioen actief in het primair en voortgezet onderwijs. Zij schreven het boek Kiezen voor kansen. 
 

Bronnen

Kooreman, K., Lamers, R. Breeman, J. (2024, december), Thuiszitters tellen 2024, een ander licht op passend onderwijs.  Landelijke Oudervereniging Balans.

Vygotsky, L.S., Cole, M. (1978), Mind in society: The development of higher psychological processes, Cambridge.

Dekker, S., Lee, N.C., & Jolles, J. (2014). Over het vóórkomen en voorkómen van neuromythen in het onderwijs.Neuropraxis, 18(2), 62-66.