De Onderwijsinspectie controleert scholen, maar wat gebeurt er als de inspectie zich niet aan afspraken houdt? Aangezien zij onder het ministerie valt, ligt controle bij het parlement, en in een democratisch bestel willen de media ook nog weleens een misstand aan het licht brengen. Dat laatste gebeurde bijvoorbeeld toen bekend werd dat de inspectie het afgelopen decennium minder scholen heeft bezocht dan bewindslieden hadden beloofd. Maar de inspectie hanteert sinds 2017 tevens het ‘bestuursgerichte toezicht’. Dit destijds vernieuwde toezichtkader, waarbij schoolbesturen aanspreekpunt zijn, werd in de jaren erna aangevuld met steekproefsgewijze kwaliteitsonderzoeken op scholen. Dat laatste om te waarborgen dat de inspectie kwaliteit, of gebrek daaraan, voldoende in het vizier zou krijgen.
Onderwijskwaliteit
Uitgangspunt in dit krachtenveld is dat het ‘beter’ moet. De inspectie nam in 2023 daarom ook een aparte standaard op voor de basisvaardigheden. ‘Microtoezicht’, noemt organisatiepsycholoog en adviseur Hartger Wassink dat. Hij zegt zich daar zorgen over te maken. ‘Omdat het focust op steeds smallere aspecten van wat we kwaliteit van het onderwijs noemen.’ Volgens Wassink past dit bij het belang dat wordt gehecht aan PISA en aan ranking, ook in de politiek. ‘Zo raken we verwijderd van een breder gesprek over kwaliteit, waardoor die kwaliteit alleen maar verder zal afnemen. Want zonder onderliggende visie binnen scholen beklijft zo’n smalle focus niet.’
Wassink werkt met besturen en raden van toezicht. Daarbij gaat het over de kwaliteit van het onderwijs, maar dan binnen de maatschappelijke omgeving waar een school zich bevindt. ‘Dat is in Rotterdam anders dan in Venlo, Nijmegen of de Achterhoek. Zaken als kansengelijkheid, diversiteit, nabijheid, kleine of grote scholen: hoe ziet dit er in jouw context uit? Hoe richt je je onderwijs daarop in? Met dit alles kun je het gesprek over onderwijskwaliteit voeden.
Basiseisen
Hoe voorkom je als school dat alle aandacht en energie uitgaan naar het inspectierapport? Idealiter bewaakt de inspectie puur de ondergrens, zoals een voedsel- en warenautoriteit, stelt Hartger Wassink: ‘De inspectie kijkt dan naar de basisvoorwaarden voor kwaliteit en bezoekt scholen op basis van steekproeven, maar ze heeft geen mening over wat goed onderwijs is in waardengeladen zin.’ Hij moedigt besturen en rvt’s aan om de inspectie meer door die bril te beschouwen. ‘Hoe je kwaliteit op de lange termijn ontwikkelt, is een heel andere dimensie. Dat vul je als school zelf in.’
Artikel 23
Zo’n breder gesprek over kwaliteit behelst, interessant genoeg, onderwerpen die vallen onder de vrijheid van onderwijs, zoals Wassink aanstipt. De vraag is dan wel in hoeverre de inspectie – geneigd tot een smalle kwaliteitsdefinitie – dan überhaupt breder kan kijken. Wassink: ‘Die ruimte is inderdaad niet zo groot, en met een reden. Als samenleving vinden we het in Nederland ten diepste belangrijk dat we in gemeenschappen kunnen vaststellen wat een goede wereld behelst en hoe leerlingen daar als burgers van de toekomst een bijdrage aan kunnen leveren. Tussen die overtuigingen zullen dus altijd verschillen bestaan.’
Samen met onderzoeker Marlies Honingh zette Wassink ideeën over goed bestuur op papier, onder de noemer ‘maatschappelijke democratie’. Een doel van besturen, stellen zij, is het dienen van het maatschappelijk belang. Wassink noemt nog een voorbeeld waarin dit zich kan uiten: inclusief onderwijs. Maar in de praktijk doemt achter de ‘waardengeladen afwegingen’ die scholen zelf kunnen maken toch algauw de inspectie op, constateert hij (zie ook kader). ‘Schoolteams voelen zich onder druk staan, want aan het eind van het jaar moeten de leerlingen overgaan en de examencijfers op niveau zijn. Omdat daarop de nadruk ligt, blijft er weinig gelegenheid over om samen te bedenken hoe je het onderwijs bijvoorbeeld inclusiever kunt maken, ook al is dat wat je eigenlijk wil.’
Uit bestuurlijke vraagstukken is de taal van de democratie grotendeels verdreven, zo beschrijven Honingh en collega-onderzoekers in een andere publicatie. In plaats daarvan wordt bestuur benaderd als een kwestie van governance, met stakeholders en accountability. Termen die oorspronkelijk wezensvreemd zijn aan de onderwijssector.
Eigenzinnige keuzes
Waren de scholen die eerder dit jaar besloten de doorstroomtoets niet af te nemen, juist niet bezig met hun maatschappelijk-democratische opdracht? Wassink vindt van wel: als bestuur, schoolteam en ouders kwamen ze samen tot overeenstemming. ‘Het interessante aan de manier waarop ze teruggefloten zijn,’ zegt hij, ‘is dat er geen inhoudelijk argument meer aan te pas kwam. Staatssecretaris Paul haalde het allerzwaarste instrument van stal: het mogelijk stopzetten van de bekostiging.’
Met het feit dat de doorstroomtoets nu eenmaal wettelijk verplicht is, vindt Wassink de discussie nog niet gesloten. ‘We hebben hier dus te maken met een wet die inhoudelijk eigenlijk niks te bieden heeft aan schoolbesturen die hun maatschappelijke opdracht beter willen vervullen. Daarover moeten we als samenleving in gesprek: hoe lossen we wettelijke beperkingen op die daarbij in de weg staan?’ Bijkomend punt waar Wassink op wijst: de doorstroomtoets heeft niets te maken met het toetsen van niveaus van kennis en vaardigheden, maar met het verdelen van alle leerlingen om hen te laten instromen in het vo, en uiteindelijk in de maatschappij, als ‘handwerkers’ dan wel ‘hoofdwerkers’.
Meer openstellen
Zoals scholen hun perceptie van de inspectie soms wellicht een beetje kunnen bijstellen, zo zou de inspectie zich ook wat meer kunnen openstellen voor scholen die eigenzinnige keuzes maken, denkt Wassink. ‘Die blik gun ik de inspectie.’ Hij benadrukt nog eens hoe het kan uitpakken, als scholen zelf met hun democratisch-maatschappelijke rol aan de slag gaan. In zijn redenering kruipen praktijk en inspectie verrassend in elkaars richting: ‘Als jij en je collega’s in jullie context bijvoorbeeld werken aan de emancipatie van kinderen, aan het sterken van leerlingen uit een zwakkere sociale omgeving, en je beseft dat je deze leerlingen een stapje vooruit kunt helpen in de samenleving, dan geeft dat houvast voor het hele team. Het maakt meteen duidelijk waarom het zo belangrijk is om leerlingen tot een zeker niveau van kennis en vaardigheden te laten komen. Een helder “waartoe” geeft leraren vanzelf voldoening om aan de ondergrens te werken.’
Bronnen
De maatschappelijke democratie artikel Honingh & Wassink (2024), over de maatschappelijke democratie en goed bestuur.
Verkenning en verdieping democratische erosie en respons in Nederland artikel Honingh & Van Ham (e.a., 2024), over o.a. de taal van bestuur.