De bekende illustrator Johan C. Braakensiek (1858–1940) nam op 1 oktober 1921 de christelijk-historische voorman dr. J. Th. de Visser (1857–1932) op de korrel. Braakensiek beeldde deze eerste minister van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) af in een veld vol paddenstoelen, waarop hij de namen van uiteenlopende religieuze en ideologische schooltypen heeft genoteerd: katholieke school, gereformeerde school, hersteld-lutherse school, zionistische school, theosofische school, standenschool, humanistische school (zie afbeelding). De prent draagt de titel De praktijk van de Schoolwet–De Visser. De minister krabt zich achter zijn oor en uit verbaasd een bastaardvloek: ‘Heeremijntijd!’ Het onzichtbare koor van gemeentebelastingbetalers zingt: ‘Wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje?’

Pacificatie van 1917

Waar kijken we naar? Na de kabinetsformatie van 1918 werd De Visser minister van het fonkelnieuwe OKW; tot die tijd ressorteerde onderwijs onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Zijn belangrijkste opdracht was de praktische uitvoering van de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs: de Pacificatie van 1917, waarmee een einde kwam aan de schoolstrijd.

De Wet op het Lager Onderwijs werd op 30 juni 1920 in de Tweede Kamer aangenomen met 75 tegen 3 stemmen. Een politiek journalist prees De Vissers optreden in de Kamer: ‘Aanteekeningen maakt hij zelden of nooit, en toch was zijn antwoord naar vorm en inhoud steeds af en altijd logisch gerangschikt en opgebouwd.’ Nog nooit had deze journalist een minister meegemaakt ‘die de sprekers zoo “uit zijn bloote hoofd” van repliek diende, en het zoo gedocumenteerd deed’.

Oplopende kosten

Vanaf zijn aantreden ging De Visser voortvarend te werk. Hij zette in op klassenverkleining, uitbreiding van de leerplicht en aanzienlijke salarisverbeteringen voor het onderwijzend personeel. In combinatie met het gemak waarmee bijzondere scholen konden worden opgericht – de paddenstoelen uit Braakensieks prent – is het niet verwonderlijk dat de netto-exploitatiekosten van het lager onderwijs tussen 1918 en 1920 stegen van 44 naar 122 miljoen gulden. Door de toenmalige crisis moest drastisch bezuinigd worden op onderwijs. En dat voelde men in het gehele land, tot in de kleinste dorpjes.

Ook in West-Brabant lieten de Pacificatie van 1917 en de Lager Onderwijswet van 1920 zich op lokaal niveau voelen, zowel sociaal als financieel. Het circa honderd leerlingen tellende schooltje aan de Boompjesdijk, een ‘bewoond oord’ in de polder van de gemeente Dinteloord, veranderde na de invoering van de wet van karakter: het openbare onderwijs maakte plaats voor christelijk onderwijs. Deze overschakeling had directe gevolgen voor de leerlingen. Zeven katholieke kinderen uit de polder moesten voortaan dagelijks op hun klompjes vijf kilometer lopen naar de rooms-katholieke school in de dorpskom.

 

‘Wetgeving leidde tot nieuwe fase in het debat’

 

Deze verandering stond niet op zichzelf. Al in 1917 hadden protestants-christelijke ouders het gemeentebestuur van Dinteloord verzocht om invoering van godsdienstonderwijs en dagelijks gebed op de openbare school. Hoewel de reactie van het gemeentebestuur niet bekend is, markeerde dit verzoek het begin van een lokale schoolstrijd. Met steun van de nieuwe onderwijswet werd in 1922 een gereformeerde School met den Bijbel geopend. In 1926 volgde het initiatief tot oprichting van een Nederlands-hervormde school, waarbij vooral de financiering van opnieuw een schoolgebouw een struikelblok vormde.

Op advies van de onderwijsinspecteur besloot de gemeenteraad dat de openbare school drie lokalen moest afstaan aan de nieuw op te richten hervormde school, aangezien 101 leerlingen zouden overstappen. Dit besluit riep verzet op. In een bezwaarschrift betoogde een tegenstander van de Pacificatie dat een aparte hervormde school overbodig was, aangezien de bestaande School met den Bijbel reeds ruimte bood aan confessioneel onderwijs en een gemengd religieus personeel en bestuur kende; de kinderen uit hervormde gezinnen zouden daarom zonder problemen gereformeerd onderwijs kunnen volgen. Opsplitsing van de openbare school achtte hij financieel onverantwoord, temeer omdat vanuit Den Haag bezuinigingen werden verlangd.

De bezwaren mochten niet baten. De Pacificatie had confessioneel onderwijs tot een wettelijk recht gemaakt en de hervormde school voldeed aan de gestelde eisen. De reactie van de Lager Onderwijsinspectie in Roosendaal was veelzeggend: samenwerking zou vanuit financieel oogpunt rationeel zijn geweest, maar gezien de plaatselijke verhoudingen – waarin verschillende geloofsrichtingen met elkaar in conflict waren – was zij ‘eene illusie’.

Het gemeentebestuur zag zich uiteindelijk genoodzaakt diep in de buidel te tasten voor opnieuw een protestants-christelijke school. Het voorbeeld van Dinteloord was allerminst uitzonderlijk. In tal van dorpen en steden zorgden de Pacificatie en De Vissers Lager Onderwijswet voor onvrede, bestuurlijke spanningen en oplopende kosten.

Collecte

De collectie van het Nationaal Onderwijsmuseum bevat een collectebusje met het opschrift: Volksonderwijs – Collecte voor de Openbare School. Na de financiële gelijkstelling van neutraal en bijzonder onderwijs veranderden talloze basisscholen van signatuur: openbare scholen kregen een katholieke of protestants-christelijke identiteit.

Volgens het Fonds tot Steun aan het Volksonderwijs liep het voortbestaan van het openbaar onderwijs gevaar. Voorstanders zamelden geld in voor publiekscampagnes en promotiemiddelen ter verdediging van de neutrale school. Iedere Nederlander zou moeten weten dat hier juist gestreefd werd naar ‘opvoeding tot gemeenschapszin […], tot de idee dat we samenbehooren tot de groote, allen omvattende gemeenschap der menschenkinderen’.

De casus Dinteloord en de acties ter bescherming van het openbaar onderwijs laten zien, dat de Pacificatie en de Lager Onderwijswet geen definitieve oplossing boden, maar het begin vormden van een nieuwe fase in het debat. De grondwettelijke consolidering van onderwijsvrijheid zorgde voor nieuwe spanningen en vraagstukken, waarin financiële haalbaarheid en gemeenschapsvorming voortdurend tegen elkaar werden afgewogen.

De onderwijsgeschiedenis laat zien hoe iedere generatie opnieuw wordt geconfronteerd met fundamentele, vaak als onoverbrugbaar ervaren verschillen van inzicht rond onderwijsvrijheid – een dynamiek die ook vandaag de dag, in de huidige discussie over artikel 23 en artikel 1 van de Grondwet, actueel is. Nu gaat dat naast basisscholen ook om het voortgezet onderwijs.

Jacques Dane is historicus en hoofd onderzoek en conservator bij het Nationaal Onderwijsmuseum in Dordrecht.

 

Bronnen

Illustrator Johan C. Braakensiek (1858–1940) was naast politiek tekenaar ook kunstschilder en graficus. Hij tekende voor De Amsterdammer (vanaf 1925 De Groene Amsterdammer) spotprenten die als een lezersmagneet werkten: zijn getekende commentaren waren zo populair, dat ze als losse bijvoegsels bij het weekblad werden geleverd. Over Braakensieks prenten, zie: Jan Feith (1925), ‘De wekelijksche plaat van Braaksensiek’. In: Jan Feith (1925). Voorbijgangers. Amsterdam: Scheltens & Giltay, blz. 211-217. [De hier afgedrukte politieke prent  over onderwijsminister De Visser is afkomstig uit de collectie van het  Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht, inv. nr. H184.015.]

De informatie over het beleid van onderwijsminister dr. J. Th de visser is afkomstig uit: Jan de Bruijn (2024). Een wonderschoon landschap. Beknopte biografie van dr. J. Th. de Visser. Leeuwarden: Uitgeverij Groen, blz. 117-140.

Voor een overzicht van de vele artikelen, brochures, boeken etc. over de Schoolstrijd, zie: Dirk Langedijk (1931). Bibliographie van den Schoolstrijd 1795-1920 ’s-Gravenhage: Dr. Abraham Kuyper Stichting en den Schoolraad voor de Scholen met den Bijbel. Langedijk, geschiedenisleraar aan de 1e Christelijke HBS in Den Haag, noteerde in zijn beredeneerde Bibliographie 2206 publicaties over artikel 23.

Over het onderwijs in Dinteloord, zie: Jacques Dane (2018). ‘”Eene illusie”. De Lager Onderwijswet van 1920 op dorpsniveau’’. In: Pieter Slaman e.a., In de regel vrij. 100 Jaar politiek rond onderwijs, cultuur en wetenschap. Den Haag: Ministerie van OCW, blz. 39-40 ; Jacques Dane (1997). ‘Lezen in de polder. Lezerssporen van kinderen uit protestants-christelijke gezinnen in het West-Brabantse dorp Dinteloord & Prinsenland (1912-1940)’. In: Helma  van Lierop-Debrauwer e.a. (red.). Van Nijntje tot Nabokov. Stadia in geletterdheid. Tilburg: Tilburg University Press, blz. 45-67.

Over het Fonds tot steun aan het “Volksonderwijs”, zie: Feiten en gegevens ten dienste van de propaganda voor de openbare school. Amersfoort: Landelijk Comité Openbare School [1937, 6de bijgewerkte druk].  De beginselverklaring van het Fonds luidt: ‘Dit Fonds is nodig voor de strijd, die ons van kerkelijke zijde wordt opgedrongen èn om de openbare school in haar positie te versterken. Wij willen, dat onze kinderen worden opgevoed in een sfeer van verdraagzaamheid en saamhorigheid. Wij willen de openbare school steunen. Wij moeten er tegen op komen, dat hier en daar de ouders worden opgezet tegen haar en de armoe wordt geprest haar kinderen naar een bijzondere school te zenden. Wij willen waken tegen onnodige scholensplitsing en daarmee het belang van het onderwijs dienen. [De collectebus is onderdeel van de collectie van het Nationaal Onderwijsmuseum, Dordrecht, inv. nr H170.000.]

Kijk hier voor de actualiteit rond de zorg om openbare scholen