Afgelopen week vroeg ik me af wanneer ik die opwinding over het stemmen voor het eerst gevoeld heb. Gek genoeg realiseerde ik me dat dat niet een paar maanden na mijn achttiende verjaardag was, hoewel ik toen voor het eerst mocht stemmen. Nee, de opwinding overviel me voor het eerst op de basisschool. Met het vermoedelijke doel ons enigszins in te wijden in de wondere wereld van de democratie, mochten we in onze klas allemaal een eigen partij oprichten. Ik weet er niet meer veel van, maar wel dat ik mijn partij Lijst ANDERS! noemde. In die tijd leek het me blijkbaar een goed idee als alles anders zou worden. Ook weet ik nog dat ik het leuk vond om met klasgenootjes na te denken over wát er dan allemaal anders zou moeten zijn. Het politieke virus heeft me sindsdien altijd in de greep gehouden.
Zelf partijen oprichten, debatten op school, complete simulaties van het Europees Parlement; scholen ondernemen veel om jonge mensen te interesseren voor politiek en democratie. Dat is goed, want zonder jonge mensen die zich engageren voor onze samenleving, staat onze democratie op het spel.
Engagement is er onder scholieren genoeg. Iedereen die wel eens een gesprek voert met jongeren weet dat ze een heel goed oog hebben voor onrecht, voor de wereld en voor het leven van hun naasten. Toch kan dat engagement ook een worsteling zijn: het is makkelijker om te zien wát je anders wil, dan te weten hóe je het dan anders wil. En ook de weerbarstige praktijk van het zoeken van meerderheden met mensen met wie je het niet per se eens bent, staat enigszins haaks op het ‘zelfredzaamheidsevangelie’ dat nu vaak gepreekt wordt.
De ontzuiling in onze samenleving is een feit, maar de verbubbeling ook. Daarom ligt daar juist een unieke opdracht voor scholen. Het engagement van jonge mensen aanboren om op de een of andere manier het verschil te maken. School is niet bedoeld om je te leren wat de goede mening of opvatting is, maar wel om je manieren aan te reiken om tot oordeelsvorming te komen. Uiteindelijk dien je zelf – na het luisteren naar anderen – tot een afweging te komen over wat voor jou het goede is.
Daarom gaat van die stempas zo’n magisch gevoel uit. Die éne stem op tienduizenden in mijn gemeente is als een korrel zand in de woestijn. Tegelijkertijd zet die éne stem mij ook iedere keer weer zelf aan het denken. Hoe ben ik tot de overtuiging gekomen die ik nu heb? Past die overtuiging nog bij wat ik de afgelopen jaren heb meegemaakt? En wil ik alles anders, of ben ik stiekem ook wel blij met dingen die ik graag hetzelfde houd?
Het zijn geen wereldschokkende vragen, maar wel vragen die aanzetten tot meningsvorming en hopelijk ook tot iets meer begrip voor de ander, die met dezelfde vragen misschien tot een ander standpunt komt. Misschien is dat wel wat we in het onderwijs ‘goed burgerschap’ noemen.
Mark Buck is lid van het College van Bestuur van Verus, vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs.