Uit ervaring weet ik dat leraar een prachtig beroep is maar dat het veel van je vraagt en soms zelfs existentieel is: leraar ben je met ziel en lichaam. Je echtheid, je kennis en je empathie voor de jeugd zijn je bagage. Is dat ontoereikend, dan wordt het niet leuk… Het leraarschap, zeker in primair en voortgezet onderwijs, legt de basis voor de toekomst van de Nederlandse gemeenschap. Daar zou toch grote achting voor moeten zijn? Er zijn veel leraren die dat respect ook afdwingen.
Waarschijnlijk deelt het leraarschap ook in de afkalving van het maatschappelijk gezag van beroepen als, arts, hulpverlener, burgemeester, wethouder en politieagent. De toenemende mondigheid van ouders en jeugd, en omgevingsfactoren zoals de landelijke media dragen ook niet altijd bij aan een positief beeld.
Beeld opvijzelen
Er zijn veel activiteiten ondernomen om het beeld van het beroep op te vijzelen zoals de Nationale Onderwijsprijs, de Nationale Onderwijstalenten, de Nationale Onderwijsweek. Toch heeft er geen substantiële verbetering plaatsgevonden, ook niet nu ook de salarissen in het po aanzienlijk zijn verbeterd.
Mijns inziens draagt de beroepsgroep zelf, tezamen met de immense hoeveelheid adviesorganen en koepels niet bij aan helderheid en uitstraling. De vrijheid van onderwijs is een groot goed, maar heeft nu geleid tot een soort Babylonische spraakverwarring en fragmentatie; op de pabo’s leggen de studenten een zigzagweg af in stukjes leerstof, waardoor velen niet adequaat worden voorbereid op het beroep. Het gevolg is 20 procent uitstroom door stress en burn-out. De overheid laat na om een duidelijk curriculum voor te schrijven en stuitert van het ene probeersel (waaronder curriculum.nu) naar het andere.
Persoonlijkheidsvorming
Voor mij heeft echter de focus op de persoonlijkheidsvorming van de leraar prioriteit. Een leraar moet iemand zijn: een mens met hart voor de jeugd, geduld, flexibiliteit en vakkennis. Maar ook iemand die jongeren voorbereidt op de grote transities van deze tijd. De wereld verandert snel – technologisch, ecologisch, sociaal – en de jeugd moet leren welke rol zij daarin kan spelen. Dat vraagt om leraren die niet alleen kennis overdragen, maar richting geven, duiden, verbinden en hoop bieden.
De pabo’s moeten daarom een consistente route bieden naar dit type professional. Niet het bijeensprokkelen van studiepunten moet centraal staan, maar een stevige vorming in pedagogiek, vakinhoud én maatschappelijke kennis en verantwoordelijkheid. Ook opleiders moeten als team staan voor deze opdracht: samenwerken, kennis delen en een voorbeeld zijn van de professionaliteit die zij van hun studenten verwachten. De vraag blijft of academisering en schaalvergroting daaraan hebben bijgedragen.
Scholen moeten een sluitend systeem hebben om nieuwe docenten te begeleiden en ervaren docent-praktijkbegeleiders moeten onbegrepen en ongewenste eerste praktijkervaringen bespreken en pareren.
Het imago van het beroep staat of valt uiteindelijk bij hoe professioneel de leraar zich manifesteert in de school, in de samenleving en in het leven van de jeugd die aan hem of haar wordt toevertrouwd.
Peter Eisenburger was leraar beeldende vorming en schoolleider. Hij is initiatiefnemer van de Binnenstebuitenschool