Op welke manier hebben docenten invloed op schrijfvaardigheid in het vo?
De meeste leerlingen behalen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs het niveau dat van ze wordt verwacht. De peiling van de schrijfvaardigheid van leerlingen in het voortgezet onderwijs laat zien dat acht op de tien leerlingen aan het einde van leerjaar 2 referentieniveau 1F of hoger beheersen. Referentieniveau 1F is het fundamentele schrijfvaardigheidsniveau dat leerlingen aan het einde van de basisschool zouden moeten beheersen.
‘Vakintegratie van belang’
Een deel van alle leerlingen (17 procent) beheerst dit niveau na twee jaar vervolgonderwijs echter nog niet. Op het vmbo-b/k gaat dit om 40 procent van de leerlingen. In het onderzoek is gekeken naar het woordgebruik van leerlingen, de samenhang van een tekst en hoe goed leerlingen rekening houden met het doel van de tekst en het publiek waarvoor ze schrijven. Het is belangrijk dat iedereen goed kan schrijven om mee te kunnen doen aan de maatschappij, stelt Mirjam Snel, strategisch expert Taal bij de inspectie. ‘Van het schrijven van een brief of een samenvatting tot het maken van aantekeningen, het is allemaal schrijfvaardigheid.’ Ook de cognitieve functie van taal is niet te onderschatten, zegt Nicole Swart, senior onderzoeker bij het Expertisecentrum Nederlands en projectleider van het onderzoeksconsortium van Peil.Schrijfvaardigheid. ‘Denk dan aan het structureren van je gedachten en daarna het logisch opstellen van een verhaal of een betoog.’
Het schrijfonderwijs is onderdeel van het vak Nederlands en daarmee een van de onderwijsdoelen van docenten Nederlands in het vo. Daar ligt de fundering van het vak en begint de invloed van de docenten. Voor een goede schrijfvaardigheid is het volgens Nicole belangrijk dat er een goede basis wordt gelegd bij Nederlands. ‘Bij Nederlands begint het. Leerlingen leren daar hoe je een alinea opstelt, wat de structuur is van een tekst en dat een tekst vaak een titel heeft.’
Maar bij Nederlands eindigt het niet. Nicole en Mirjam zijn eensgezind over het belang van vakintegratie als het gaat over schrijfvaardigheid. ‘Het is niet alléén aan de docenten Nederlands, schrijfvaardigheid moet ook bij andere vakken terugkomen.’ Mirjam legt dit verder uit. ‘Denk bijvoorbeeld aan een opdracht bij geschiedenis waar de docent leerlingen vraagt om een samenvatting te maken van de tekst. Of om op te schrijven wat hun standpunt is over een bepaald thema. Op deze manier zijn leerlingen ook bij andere vakken met schrijven bezig. Deze vakintegratie kan ook andersom: als leerlingen bij Nederlands leren een betoog te schrijven, kan dit over een onderwerp gaan dat bij maatschappijleer wordt behandeld.’
Vaak is vakintegratie wel opgenomen in het schoolplan, maar in de praktijk komt het vaak niet van de grond. Om het te laten slagen, moeten docenten goed van elkaar weten waar de leerlingen bij de verschillende vakken mee bezig zijn. Zo kan de inhoud van de les geschiedenis aansluiten bij een schrijfopdracht bij Nederlands en andersom.
Leerlingen zien zelf ook het belang van vakintegratie, blijkt uit Peil.Schrijfvaardigheid, vertelt Mirjam. ‘Leerlingen die geïnterviewd zijn, zien het voordeel als ze de dingen die ze leren bij Nederlands ook kunnen toepassen bij andere vakken, zoals bij de zaakvakken en moderne vreemde talen. Daar moet immers ook geschreven worden.’
‘Meer dan de helft wil bijscholing’
Voelen docenten zich goed genoeg uitgerust om goed schrijfonderwijs te geven?
Uit het onderzoek Peil.Schrijfvaardigheid blijkt dat de helft van de leraren Nederlands zelf vindt dat ze over voldoende kennis en vaardigheden beschikken om schrijfonderwijs te geven. Meer dan de helft zou in de toekomst echter ook graag bijscholing volgen, maar veel docenten geven aan hier weinig tijd voor te hebben.
‘Meer dan de helft wil bijscholing’
Nicole ziet in onderzoek dat docenten vaak meer aandacht hebben voor het schrijfproduct dan voor het schrijfproces. Ze moedigt docenten aan ook aandacht te hebben voor het proces dat leidt tot de tekst die de leerlingen schrijven.
Op welke manier kunnen docenten werken aan goed schrijfonderwijs?
Volgens Nicole is het dus belangrijk als docenten meer aandacht hebben voor het schrijfproces. Mirjam geeft een voorbeeld van hoe dat eruit kan zien. Als eerste is het goed om stil te staan bij de opdracht. Is deze betekenisvol, helder en sluit de opdracht aan bij het (verwachte) niveau van de leerlingen? Daarna kun je leerlingen met elkaar in gesprek laten gaan over de inhoud en opbouw van hun schrijfproduct.
‘Feedback leerzaam voor lezer en schrijver’
Wat willen ze schrijven, voor wie en hoe bouw je de tekst op? Deze opzet kunnen ze op papier zetten, waarna ze elkaar feedback geven. Uit onderzoek is bekend dat het zowel leerzaam is voor de schrijver als de lezer, aldus Mirjam. Na het plan komt dan de eerste versie van de opdracht, waarna weer feedback volgt. Tenslotte schrijven de leerlingen een definitieve versie van hun schrijfopdracht. Op deze manier is er meer aandacht voor het proces dat naar het product leidt.
Een ander voordeel van een dergelijke aanpak is volgens Nicole en Mirjam de ruimte voor feedback en de mogelijkheid om er ook iets mee te doen. Leerlingen krijgen zo steeds de kans om het product te verbeteren.
Tenslotte willen Nicole en Mirjam meegeven dat het ook helpt als de schrijfopdracht een concreet doel heeft. Dus bijvoorbeeld een publicatie op een website, een lezing voor de klas of een boekje dat wordt gedrukt. Op die manier wordt het resultaat tastbaar en betekenisvol voor de leerlingen.