Vrijheid van onderwijs: Werk maken van pedagogische opdracht

De vrijheid van onderwijs enerzijds en de overheidszorg voor onderwijskwaliteit anderzijds brengt een aantal spanningen met zich mee. Dat schreef de Onderwijsraad al in haar notitie uit 2019. In deze bijdrage hoop ik duidelijk te maken dat de discussie over vrijheid van onderwijs geen juridische kwestie is voor liefhebbers, maar dat er wel degelijk belangrijke zaken op het spel staan.

In mijn werk op de Vrije Universiteit kom ik met enige regelmaat studenten pedagogische wetenschappen tegen, sommigen van hen zelf werkzaam in het onderwijs, die denken dat de vrijheid van onderwijs gaat over ‘of je voor of tegen religieuze scholen bent’. Ze hebben daar dikwijls zelf een uitgesproken mening over en wat hen betreft is de kous daar dan mee af. Voor mij is het echter belangrijk dat studenten op een zorgvuldige manier leren denken en spreken over de vrijheid van onderwijs. En dat ze dat, als pedagogiekstudenten, met name ook vanuit een pedagogisch perspectief kunnen doen.

Onderwijsvrijheid én Overheidszorg

Om een bijdrage te leveren aan de kwaliteit van de discussies rondom artikel 23, het wetsartikel waarin de vrijheid van onderwijs geborgd is, schreef de Onderwijsraad eind 2019 de notitie Onderwijsvrijheid én Overheidszorg: spanning in artikel 23. In deze zeer volledige en behulpzame notitie worden inzichten omtrent artikel 23 zorgvuldig op een rijtje gezet. De titel maakt al duidelijk dat de ware spanning in artikel 23 zit in de combinatie van onderwijsvrijheid en onderwijszorg. Artikel 23 gaat namelijk niet alleen over vrijheid van onderwijs, maar óók over de zorg van de overheid voor het onderwijs. De raad onderscheidt in deze notitie vijf spanningen die voortkomen uit deze gecombineerde focus. Twee van de uitgewerkte spanningen hebben te maken met onderwijskwaliteit: aan de ene kant mag de overheid, als wettig waarborger van onderwijskwaliteit, voorschrijven waar ‘goed onderwijs’ aan moet voldoen. Aan de andere kant mogen scholen vanuit hun eigen visie op onderwijs werken. Belangrijke vraag die zich hierbij voordoet is hoe ver de overheid mag gaan in het invullen van wat zij als kwaliteit ziet.

De andere categorie gesignaleerde spanningen raakt vooral aan de toegankelijkheid van onderwijs: de overheid moet de toegang tot onderwijs waarborgen, maar heeft tegelijkertijd weinig grip op het scholenaanbod. Hoewel er in artikel 23 niet expliciet staat dat ouders en leerlingen schoolkeuzevrijheid hebben, wordt die vrijheid wel geïmpliceerd. Om keuzevrijheid te kunnen garanderen is een pluriform onderwijsaanbod nodig. Die pluriformiteit is echter niet altijd aanwezig en vanuit doelmatigheids- en kwaliteitsoverwegingen ook niet altijd gewenst. Daarbij: de vrijheid van ouders en leerlingen om een school te kiezen die aansluit bij hun eigen visie op onderwijs en/of levensovertuiging kan, bedoeld of onbedoeld, leiden tot scholen met min of meer homogene populaties aan leerlingen en ouders. Dit kan segregatie in de hand werken of versterken. Terwijl de overheid het juist als haar zorgtaak ziet om sociale cohesie te bevorderen...

Immers, zonder ruimte om onderwijs vorm te geven vanuit eigen waarden en levensovertuiging, wordt onderwijs een politieke speelbal in een door macht en geld gestuurd krachtenveld.

Gerdien Bertram-Troost

Over elk van deze spanningen is veel meer te zeggen dan ik hier kan doen. Elders in dit nummer leest u er meer over. Duidelijk moge zijn dat actuele en veelbesproken onderwijskwesties als burgerschapsvorming, acceptatieplicht, (vroege) schoolselectie en onderwijskansenbeleid ook vanuit deze spanningen bezien kunnen worden. Artikel 23 en de hieruit voortvloeiende kwesties hebben impact tot in het klaslokaal. Graag werk ik de betekenis en het belang van vrijheid van onderwijs hieronder nog verder uit en betoog ik dat het hoog tijd is dat álle scholen vrijheid van onderwijs (weer) verder vorm en inhoud geven.  

Pedagogisch perspectief

Allereerst is het belangrijk te beseffen dat vrijheid van onderwijs over veel meer gaat dan respect hebben voor de pedagogische en levensbeschouwelijke visie van waaruit scholen onderwijs geven. Het gaat om het fundamentele recht van mensen om hun leven vorm te geven vanuit hun diepste waarden en levensovertuigingen. Zo bezien is vrijheid van onderwijs, evenals de vrijheid van godsdienst, een waarlijk grondrecht dat essentieel is om ons onderwijssysteem goed te laten functioneren.

Borgman (2021) maakt duidelijk dat vrijheid van onderwijs de grondslag is van álle onderwijs: ook als de bevoegdheid om het onderwijs te regelen geheel bij de overheid zou liggen, kan en mag niet voorbij gegaan worden aan dit fundamentele recht. De vrijheid van onderwijs is wat mij betreft dan ook onopgeefbaar. Immers, zonder ruimte om onderwijs vorm te geven vanuit eigen waarden en levensovertuiging, wordt onderwijs een politieke speelbal in een door macht en geld gestuurd krachtenveld. Neem alleen al het adviesrapport van de Wetenschappelijke Raad van de Regering uit 2013 getiteld Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland. Goed onderwijs wordt daarin beschreven als onderwijs dat komende generaties zodanig toerust dat het verdienvermogen van Nederland op peil blijft en liefst nog wordt versterkt. Onderwijs dient ervoor te zorgen dat leerlingen de kennis en vaardigheden verwerven die voor de toekomst van de Nederlandse economie nodig zijn. Onderwijs staat dan dus niet meer ten dienste van de vorming van kinderen en jongeren, maar staat ten dienste van ‘BV Nederland’. Dat deze manier van naar onderwijs kijken daadwerkelijk z’n weg gevonden heeft naar de overheid, blijkt onder meer uit een interview met toenmalig minister Wiebes van economische zaken in het Financieel Dagblad van 16 september 2019. Hij noemde onderwijs daar een van zijn favoriete speerpunten op de economische groeiagenda. En daarmee had hij het niet over hogere lonen voor leraren, want die leiden - in zijn woorden - niet tot een ‘hoger verdienvermogen voor de samenleving’. Het gaat Wiebes om hervormingen van ons onderwijssysteem. Hij richt zijn pijlen daarbij op het curriculum en onderwijsmethoden. Ik citeer: ‘Kijk naar het curriculum bijvoorbeeld. Moeten we nog altijd lessen Frans of Grieks geven? Gaan we daar binnen twintig jaar nog de Chinezen mee verslaan?’ Alsof onderwijs oorlogsvoering is! En alsof het in onderwijs om winst moet draaien in plaats van om de mens-wording van kinderen en jongeren. Met dergelijke taal heb ik zeer veel moeite.

Het is juist de vrijheid van onderwijs die scholen de ruimte geeft om onderwijs zo in te richten dat menselijk samenleven voorop staat en niet de economische belangen. Vrijheid van onderwijs biedt scholen de ruimte om niet mee te gaan in het door anderen aangedragen zoniet opgelegde mens- en wereldbeeld. Het geeft scholen de wat mij betreft onopgeefbare ruimte om een eigen mens- en wereldbeeld door te laten klinken in wat men binnen de schoolgemeenschap verstaat onder ‘goed onderwijs’ en ‘goed burgerschap’ en hoe je daar met het oog op de samenleving invulling aan geeft. De levensbeschouwelijke dimensie is daarbij niet weg te denken. Pedagogische vragen als 'waartoe onderwijs?' en ‘wat is goed onderwijs?’ kunnen namelijk ten diepste niet beantwoord worden zonder een omvattende visie op mens en wereld, ofwel levensbeschouwing. Visies op goed onderwijs zijn, net als visies op goed burgerschap niet neutraal. In bijvoorbeeld een door het Christendom geïnspireerde mensvisie is de mens, geschapen naar Gods beeld, niet te reduceren tot Cito-scores en intelligentietesten. De mens is meer dan een machine die geconditioneerd kan worden om een optimaal economisch rendement te behalen. Ieder mens is van waarde en van betekenis.

Vrijheid als opdracht

In deze tijd ligt er voor álle scholen, bijzonder én openbaar, een belangrijke opdracht om (weer) meer invulling te geven aan de vrijheid van onderwijs. Om dusdanig vorm te geven aan onderwijs dat kinderen en jongeren, in alle ruimte en vrijheid, kunnen ontdekken hoe zij voor de toekomst van ons land en onze wereld van betekenis willen en kunnen zijn, en die betekenis is niet op voorhand een economische. Er zijn inmiddels meer dan genoeg aanwijzingen dat de jarenlange nadruk in onze samenleving en in ons onderwijs op economische vooruitgang en doelmatigheid veel verliezers kent. Niet in de laatste plaats onder jongeren. Er wordt veel, té veel van hen verwacht, in te weinig tijd. Dientengevolge neemt mentale druk toe en liggen burnout en depressies op de loer. Ook zien we dat steeds meer jongeren moeite hebben om zich tot het leven te verhouden, in de veelheid van waarden en opvattingen die ze niet in de laatste plaats via sociale media tegenkomen.  

Ik zie een belangrijke rol weggelegd voor scholen om in dit krachtenveld een tegengeluid te laten klinken. Onderwijs heeft, zoals de Franse pedagoog Meirieu (2007) dat zo kernachtig verwoordt, ‘le devoir de résister’ ofwel de ‘plicht om weerstand te bieden’ in zich. Vanuit diverse levensovertuigingen kan in onderwijs een tegengeluid gegeven worden. Bijvoorbeeld om leerlingen ervan bewust te maken dat het economisch maakbaarheidsperspectief niet de enige manier is om naar de wereld en zichzelf te kijken.

Het is, vanuit de vrijheid van onderwijs, volledig legitiem om in allerlei keuzes die in het onderwijs gemaakt moeten worden (zowel bestuurlijk, vakdidactisch, pedagogisch en organistorisch) eigen waarden en overtuigingen omtrent goed onderwijs en goed leven een rol te laten spelen. Evenzo is het echter óók legitiem dat anderen, waaronder de overheid, van scholen vragen dat ze hun keuzes kunnen toelichten en dat ze aanspreekbaar zijn op hun eigen uitgangspunten. Op haar beurt dient de overheid voldoende ruimte te laten aan scholen om hun eigen onderbouwde keuzes te maken. En dan zijn we terug bij het spanningsveld waarmee deze bijdrage begon. Naar mijn idee is het zaak om precies die spanning met elkaar uit te houden en het goede gesprek over goed onderwijs met elkaar te blijven voeren. Terecht stelt Borgman dat ‘in een democratische samenleving de regering uiteindelijk ten dienste staat van de toekomst die de bevolking van een land al doende en met vallen en opstaan vormgeeft.’ Dat vormgeven moet én mag het onderwijsveld (met alle betrokkenen samen) zelf doen. Met het oog op de toekomst van onze kinderen en jongeren.

Verder lezen:

- Hermans, C. (red). (2021). Vrijheid voor onderwijs. Een uitnodiging tot wisseling van perspectief. Uitgeverij Damon (Digitaal gratis beschikbaar via: Boek: Vrijheid voor onderwijs | Verus)

- Onderwijsraad (2019). Onderwijsvrijheid én Overheidszorg: spanning in artikel 23. Onderwijsraad: Den Haag. Notitie Onderwijsvrijheid én overheidszorg | Publicatie | Onderwijsraad

Delen: