Spelen, leren, maken! Ze horen in onderwijspraktijk altijd bij elkaar

Steeds meer onderzoek laat zien dat ‘spelen, leren en maken’ in de ontwikkeling van een mens samengaan. Wat betekent dit voor onderwijs, voor de dagelijkse praktijk, voor het curriculum? En hoe verhoudt zich dat tot jouw pedagogisch handelen? Maak je andere keuzes als je ‘weet’ dat kinderen, leerlingen en studenten zich juist in deze drie-eenheid verbonden en verantwoordelijk gaan voelen? In dit inleidende artikel geeft Rob Martens, directeur bij NIVOZ, een inleiding op het thema, zoals NIVOZ dat dit jaar zal programmeren.

‘Leg die telefoon nou eindelijk eens weg en begin aan je huiswerk!’ Die verzuchting zullen alle ouders herkennen. Kinderen besteden het liefst uren aan ‘nutteloze’ dingen: aan gamen of aan YouTube-filmpjes kijken. Dat zijn allemaal vormen van spelgedrag, soms actief en soms meer passief, en tegenwoordig ook vaak digitaal. En ze lijken heel weinig te maken hebben met wat echt belangrijk is, zoals huiswerk maken en leren. Of ligt het toch wat anders?

In iedere ‘Staat van het onderwijs’ van de onderwijsinspectie lezen we het terug: de motivatie van Nederlandse leerlingen is zorgwekkend laag. Leerlingen zijn niet gemotiveerd, en als ze het al zijn is het ‘extrinsiek’. Dat kan ontaarden in de beruchte zesjescultuur: vertel me maar wat ik moet doen (dan probeer ik het met zo weinig mogelijk moeite te halen). Als iets niet ‘meetelt’ of niet tot het PTA behoort, steken leerlingen er nauwelijks energie in. Veel leraren en zeker motivatieonderzoekers maken zich daar zorgen over. We weten immers dat motivatie, en dan vooral intrinsieke motivatie, een belangrijke drijfkracht onder leren is. Als die ontbreekt wordt het snel onplezierig in de klas en erger nog: gaat veel talent verloren. Onderwijs haalt dan niet het beste uit haar leerlingen.

De invloedrijke zelfdeterminatietheorie van Deci en Ryan stelt dat intrinsieke motivatie gekenmerkt wordt door een gevoel van plezier en een gevoel van eigen keuze. Je doet iets omdat je het leuk vindt, omdat het je eigen keuze is. Interessant is dat intrinsieke motivatie heel dicht in de buurt van spel komt. Daarbij draait het er immers ook om dat het vrijwillig is, gedaan wordt om het plezier in het spel zelf (en je dus buiten het spel om niet wordt ‘afgerekend’) en dat het leuk is. Spelende kinderen hoor je vaak lachen.

Spel tooit zich daarom doorgaans in de kleren van nutteloos, leuk, doelloos en grappig. Het spel is spannend maar verder gaat het nergens om. Het is immers maar een spel. Als het wel ergens om zou gaan, is het geen spel meer. En als het verplicht wordt gesteld door volwassenen is het geen spel meer. Ook als je buiten het spel om op je resultaat wordt afgerekend, is het spel voorbij.

In onderwijs en opleiding worden de begrippen ‘spelen, leren en maken’ daarom strikt onderscheiden. Leren en maken zijn ‘intentioneel’ en hebben altijd een doel. Spelen is gratuit, zonder doel, om niet. En als we dan toch gaan gamen op school, dan heet het plots ‘serious gaming. De begrippen worden in hun betekenis bijna in tegenstelling gebracht: ‘leren’ hoeft niet leuk te zijn, terwijl ‘spelen’ iets is dat je voor je plezier doet. De praktijk van het onderwijs is hieraan zo gewend geraakt dat het zicht op hoe (jonge) mensen leren en zich ontwikkelen, verloren lijkt te zijn gegaan.
 

Met een ‘playful mind’ leer je het meest en ben je het meest creatief.

Rob Martens

Steeds meer onderzoek laat namelijk zien dat ‘spelen, leren en maken’ in de ontwikkeling van een mens samengaan. De intrinsieke motivatie om een uitdaging aan te gaan is het meest sprekend aanwezig in spel. Om die reden kun je spel de krachtige motor onder leren noemen. Juist omdat het ‘maar een spelletje is’ en het ‘nergens om gaat’ durf je dingen te proberen. Met een ‘playful mind’ leer je het meest en ben je het meest creatief.

Spel en pedagogiek

Spelen doe je dus voor je plezier. Het is vrijwillig, een zelfgekozen uitdaging, het heeft een open perspectief, het is jouw keuze voor deze regels, het daagt uit grenzen te verleggen en hindernissen te overwinnen. Daardoor leer je jezelf kennen en vertrouwen. Spelen vraagt vindingrijkheid, maar in samenspel ook inlevingsvermogen, perspectief nemen en consensus zoeken. En wat pedagogisch essentieel is: het resultaat is (mede) door jouw toedoen tot stand gekomen, jij bent mee verantwoordelijk.

Dat is echter niet hoe het onderwijs door veel leerlingen en studenten ervaren wordt. Hun houding wijst meestal op extrinsieke motivatie: ‘vertel me maar wat ik moet doen’. Het lijkt in niets op de enorme motivatie die kinderen hebben als ze spelen, bijvoorbeeld gamen. En nog opvallender: het lijkt in niets op wat kinderen ‘van nature’ doen. Evolutiepsychologen als Peter Gray wijzen er voortdurend op: kinderen leren van nature bovenal door te spelen. Kinderen die mogen doen wat ze zelf willen, gaan spelen (Martens, 2017).

De vraag is dus: Is het mogelijk die twee werelden beter te verbinden? Datgene wat we kinderen en jongeren willen leren op school, en datgene wat ze zelf willen doen? Dat is niet eenvoudig.

Motivatieonderzoek

Motivatieonderzoek leert dat wanneer we de essentie van spel didactisch accepteren en benutten, motivatie én prestatie in onderwijs belangrijk verbeteren. Daarvoor is het nodig om ruimte te laten aan nieuwsgierigheid, aan het onwillekeurige, en aan de keuze van uitdaging. Een voorschrijvende en controlerende instructie en didactiek vernauwen gemakkelijk het cognitief-motivationele perspectief van een leerling of student. Het spelkarakter wordt hier aan het leren ontnomen en daarmee de belangrijkste bron van motivatie.

In termen van de pedagoog Biesta: in onderwijs is meer aan de orde dan socialisatie (aanpassing). Pedagogisch gezien is de vraag aan de orde hoe we naast deze socialisatie de benodigde ruimte kunnen laten aan persoonsvorming (of subjectivatie). Hoe kunnen we leerlingen een zekere vrijheid geven om zelfgekozen uitdagingen aan te gaan, een eigen, noodzakelijkerwijs unieke (leer)weg te gaan, onzekerheid te verdragen en verantwoordelijkheid te nemen? En dat zijn weer precies kenmerken van spel.

Tegen deze achtergrond is het van belang na te gaan in hoeverre een leerling of student een eigenstandige of autonome plaats in het onderwijsproces heeft. Vanuit spel gedacht wordt het vanzelfsprekend dat leerling én leraar of docent én student samen onderwijs maken, dat wil zeggen met de nodige speelruimte (letterlijk en figuurlijk). Daarin zal het niet altijd duidelijk zijn wie van wie wat leert. In deze ruimte wordt persoonsvorming zichtbaar in het didactisch proces. Dat proces mag dan met recht pedagogisch-didactisch genoemd worden.

Dilemma’s

In toenemende mate wordt geprobeerd ‘spel’ meer in onderwijs op te nemen. Denk aan de Maker movement of aan Hackatons. Maar daarmee tekenen zich ook dilemma’s af. Als spel zelf-bepaald en vrijwillig is, wat doen we doen als we een bepaalde leerinhoud zo belangrijk vinden dat we hem verplicht willen stellen? Lukt het dan nog wel om er een ‘spel’ van te maken? En nog een lastige vraag: als het waar is dat kinderen van nature heel veel willen spelen, en we belemmeren dat op school of thuis met een grote hoeveelheid huiswerk, zou het dan kunnen dat dat negatieve gevolgen heeft?

Kortom, spel is, met zijn schijnbare nutteloosheid, een interessante draad om aan te trekken. Een draad die zo lang wordt dat de bekende natuurkundige Niels Bohr al opmerkte dat het begrijpen van kwantumfysica kinderspel is vergeleken met het begrijpen van kinderspel.

 

Martens, R. (2017). Zullen we gaan spelen? Onderwijsinnovatie, 2, juni, 2017, 10-13.

 

Delen: