Ontregeld

Gabrielle Franquinet en Ivon Hummel zijn beiden docent op een middelbare school. Van Twaalf tot Achttien vroeg aan hen hoe het gaat, nu de scholen weer open zijn maar onverminderd ontregeld worden door corona en corona-regels. Hoe ga je weer aan de slag met leerlingen die lang online les hebben gehad? Leerlingen die in het spoor moeten komen terwijl er examens voor de deur staan. Of leerlingen die hun middelbaar school begonnen met alleen maar online-onderwijs. Wat neem je waar, waar liggen je zorgen en wat staat je te doen? Beiden klommen in de pen.

 

Verbinding verbroken

door Ivon Hummel, januari 22

“Leren heeft een context nodig waarin de relatie tussen de leerling, de klasgenoten en de docenten essentieel is voor hun ontwikkeling. Online is dit veel complexer en ook niet haalbaar. We hebben wat dat betreft een slechte tijd achter de rug. Vooral kinderen die al in een kwetsbare positie verkeren hebben juist nu extra zorg nodig. Verder geldt voor allemaal dat het vanzelfsprekende ritme van naar school gaan, samen een klas zijn, is verstoord. Er wordt veel gesproken over leerachterstanden – en natuurlijk is het goed om misgelopen zaken alsnog aan te bieden. Maar ik zou liever spreken over een ontwikkelingsachterstand. Brugklassers leren vaak nog gestuurd door autoriteit, door de verhalen van de leerkracht. Maar ergens na het 14e jaar moet er een omslag komen, dan gaat het echte leren van binnenuit komen, vanuit interesse, gestimuleerd door de leraar. Nu zien we echt nog brugklasgedrag, ook in de hogere klassen, 8e klas gedrag in 10 havo (in vrije school-structuur): vooral met elkaar bezig zijn (ook heel belangrijk) en veel minder gericht op wat de docent te bieden heeft. Alle regels moeten weer gehandhaafd worden. Wat goed werkt is om ze zelf en samen verantwoordelijk maken voor bijvoorbeeld de klascultuur – kleine, wisselende groepjes die elkaar helpen met huiswerk. Ze ook zelf medeverantwoordelijk maken voor een deel van de les. Ze bereiden zelf iets voor om anderen uit te leggen, of te presenteren – met een groepje, met ieder eigen deeltaken.”

“Dat is het korte verhaal. Er is ook een langer verhaal en dat gaat over de puber. Het zoekende en het op zichzelf teruggeworpen zijn is iets wat deze leeftijdsfase kenmerkt. De persoonlijkheid breekt door, hij/zij is op zoek naar iets wezenlijks. Aan de ene kant voelt hij/zij zich superieur, eigenwijs, weet wat de moeite waard is, aan de andere kant voelt hij/zij zich onzeker, onbeholpen, verontwaardigd, ontevreden en zit daar vreselijk mee. Deze zoektocht is in wezen hoop. Hoop op iets dat gloort. Dat diepe verlangen naar het wezenlijke is ongelofelijk mooi aan deze leeftijdsfase. En aan ons, volwassenen, leraren, is de taak om het op zich zelf gerichte van de puber om te buigen naar interesse voor de wereld. Belangstelling voor de wereld uitstralen, interesse voorleven. Het zich afzetten ombuigen naar kritisch meekijken. Leren formuleren, waar gaat dit eigenlijk over… verborgen zieleroerselen moeten richting krijgen. Als docent - juist nu - de grotere verbanden laten zien, de processen achter de gebeurtenissen. Het causale denken moet aangesproken worden. De uiteengevallen wereld weer tot een geheel maken, waar je als mens mee te maken hebt, mee verbonden bent, waar je iets mee kunt, wat ertoe doet. Zo kunnen pubers zich in een groter verband voelen staan, groter dan alleen hun leeftijdsgroep.

Maar door niet kunnen aanhaken met de buitenwereld en door zelfs niet normaal in contact te kunnen staan met leeftijdsgenoten in deze kwetsbare levensfase, kan het gevoel van onvrede blijven bestaan. Een onvrede die naar binnen slaat in vormen van depressie, of naar buiten slaat in vormen van agressie. Terwijl juist door die verbinding van het individu met de samenleving sociale krachten tot ontwikkeling kunnen komen waar onze samenleving zo’n behoefte aan heeft – juist nu. En dat wat we altijd doen, de leerling verbinding leren zoeken met zichzelf en met wereld om hem heen, lijkt nu iets waar we alle zeilen voor bij moeten zetten. Leerlingen zijn minder opgenomen in een geheel, in de stroom, meer op zichzelf teruggeworpen.”

“Ik geef maatschappijleer, en ben veel bezig met het geheel, met de wereld. Ook met al dat nieuws waar je eigenlijk niet vrolijk van wordt: klimaatcrisis, coronacrisis, vluchtelingencrisis. Willen we het daar nu over hebben? Zeker wel, want het geeft ook een kans om het bewustzijn te vergroten dat je als leerling, als mens, daar niet los van staat. Besef ontwikkelen voor de aarde, het hebben over globalisering, dat alles wat je koopt een investering is. Bezinnen op wat gezondheid eigenlijk is. Hoe verhoudt het individu zich tot de samenleving? Hoe kunnen we de polarisering overbruggen? Wat betekent ontheemd zijn? Waar ben jij thuis? Leren om het andere, het vreemde een plek te geven. In de 11e klas voeren we dialogen. We oefenen in formuleren, maar ook met luisteren en leren om vragen te stellen, je te openen – interesse echt oefenen. Iedereen serieus nemen. Zij brengen hun eigen vragen en onderwerpen in. Onderzoeken waar dit eigenlijk over gaat… wat is hier de kern van de zaak? Ik heb ontdekt dat het fenomenologisch benaderen van het nieuws een heel sterke manier van werken is. De werkelijkheid zien als een beeld – er spreekt iets doorheen, het is meer dan feitelijk waar. Met de leerlingen werken we van buiten naar binnen: betrokken raken bij waarnemingen uit de buitenwereld. En van binnen naar buiten: subjectieve gewaarwordingen objectief gaan begrijpen. Dat doen we in 4 stappen. Eerst beschrijven we wat we ervan waarnemen, dan gaan we dit onderwerp bevragen, onderzoeken (denkend), dan proberen we af te tasten (voelend) waar dit eigenlijk over gaat, de essentie begrijpen en de volgende stap is dan: waartoe roept dit op? Het ‘wilsgebied’. Het doet ertoe hoe jij je tot de dingen verhoudt. Het leven van alledag is klein én groots. Door op onderzoek uit te gaan, ga je aan de slag en breng je iets in ontwikkeling. Je overwint machteloosheid, wantrouwen en angst.”

“Vaak zijn het geen lessen in de traditionele zin van het woord. Er is thee, het is een gesprek. Ik meen waar te nemen dat leerlingen aan de ene kant wat matter, verder weg kunnen zijn. Het is harder werken als docent om ze op de punt van hun stoel te krijgen. Voorwaardenscheppend harder werken, geen les loopt vanzelf en ook voorbereidend harder werken: de schat van je lesstof boven water krijgen. Maar ik voel ook juist het belang van het samen zijn nu, een sterker verlangen naar wezenlijke dingen die er echt toe doen, tegenwoordigheid van geest. Ik kan mezelf ook wel verontrusten met vragen. Is het voldoende? Geven we ze wel genoeg mee: vertrouwen, vreugde, handvatten, kiemen die zich later kunnen ontwikkelen? Is het niet te veel kennis, toetsen, definities. Stenen in plaats van brood, ballast. Moeten we niet veel meer op levenskunst inzetten dan op het examen? Meer op de beleving en creatieve vaardigheden richten dan op kennis? Kennis is nodig, maar hoe komt het tot leven? Hoe wordt leerstof ontwikkelingsstof? Een examen is nodig, maar het is een middel. Hoe kunnen we meer nog een werkplaats zijn? Welke impulsen dragen deze jonge mensen bij zich? Worden ze wel tot leven gewekt? We hebben nu workshops, buiten de lessen, voor meer energie in de school: boksen en mindfulness… dat is goed! En ook de lessen zelf maken we levendig, in de betekenis van: wezenlijk. Lessen die ertoe doen. Maar is het voldoende? Ontstaat er genoeg respect en enthousiasme, vertrouwen in zichzelf en vertrouwen in elkaar? We zullen zien, we gaan door en zetten samen onze schouders eronder.”

Ivon Hummel is leraar maatschappijleer en levensbeschouwing op het Karel de Grote College in Nijmegen. Zij neemt deel aan de Pedagogische werkgroep en het Pedagogische team waar gewerkt wordt aan hoe we met het college kunnen bouwen aan beter: verdieping en verwerkelijking van de impuls van de vrije school.

Het (school)leven verleerd

door Gabriëlle Franquinet, januari 2022

“Als je nu bij ons de school binnen loopt, tref je denk ik een ander beeld, een andere sfeer dan een aantal jaren geleden. Wat we vroeger min of meer vanzelfsprekend gedrag vonden, lijkt nu iets dat we expliciet opnieuw moeten aanleren. Ja, het online-onderwijs heeft een negatief effect gehad op merendeel van onze jongeren. De stabiliteit is verdwenen, de routine voor de leerling is weg. De grootste groep spant zich écht in om er het beste van te maken, maar bij velen ontbreekt de sprankeling, de energie. Ze willen wel maar het kost moeite. Een leerling zei laatst: “Het lukt me gewoon niet om aan het werk te gaan. Ik probeer het echt wel, maar zo vaak krijg ik het niet voor elkaar.” Een deel van de leerlingen lijkt murw, aangeslagen. Ze weten niet meer hoe en ook niet waarom, ze zijn alle motivatie kwijt. Ze vinden het lastiger om ook weer sociaal aan te haken, ze voelen zich vaker alleen en eenzaam, ook in een groep. En een kleine groep is ook gewoon lastig. Ze doen expres hun mondkapje niet op, ze doen niet mee in de les of proberen de les zelfs te saboteren, ze accepteren geen correctie, hebben een grote mond, werken zich met veel geluid en bombarie weer naar de top van de apenrots. In mijn eigen lessen hangt er gelukkig best vaak een ontspannen leerklimaat, maar ook die vanzelfsprekendheid is er niet meer. Je zou bijna zeggen, veel leerlingen zijn het schoolleven ‘verleerd’. Het lijkt alsof ze vervreemd zijn van deze schoolwereld waarin we met elkaar een bepaalde sfeer willen neerzetten om leren mogelijk te maken.”

“Het aantal besmettingen is onveranderd hoog en het is kunst-en-vliegwerk om alle ballen in de lucht te houden. We zijn continu bezig met de hectiek van de dag, zonder te weten waar we gaan uitkomen. Die onzekerheid, het niet aanwezig kunnen of mogen zijn op school heeft heel veel invloed op het welbevinden van leerlingen. Niet op iedereen even sterk, het maakt wel uit hoe oud de leerlingen zijn. Bijvoorbeeld of leerlingen in de onderbouw nog volledig les hebben gehad of niet. En gelukkig hebben we ook wel ervaren dat zaken zich kunnen normaliseren, zeker na sociale activiteiten. In september hebben we nog net een kamp met vwo-5 kunnen organiseren en vanaf dag drie werd het een genot om te zien hoe de gehele groep (leerlingen én de begeleidende docenten) echt weer in contact kwamen. Daar plukken nu nog de vruchten van. Het zijn dit soort sociale ondernemingen die helpen om het ook in de les weer ‘gewoon’ te maken, dus in het schoolse leven. Daarom zetten we de NPO-gelden ook voor dit soort dingen in. Maar ‘normaal’ is het nog lang niet. Als ik heel eerlijk ben… leerlingen hebben door de geringe sociale contacten een beetje stilgestaan, ze zijn gewoon 1 tot 2 jaar jonger in hun ontwikkeling.”

“Het doet ook wat met mij. Ik wil mijn leerlingen geruststellen en zeggen dat het goed komt. Maar zij hebben die ervaring niet, ze kunnen niet over die hordes heen kijken. In de tussentijd doen we alsof alles gewoon weer kan worden opgepakt. We passen een paar examenreglementen aan, schuiven er voor de tweede keer een extra tijdvak, herkansing én een duimregeling in… Maar leerlingen zet je niet zomaar weer aan. Het zijn geen apparaten. Het kost tijd en aandacht, soms denk ik dat het veel leerlingen goed zou doen om gewoon een jaar extra te hebben, misschien zelfs meer, om weer te leren wat ‘gewoon’ is, hoe het ook alweer werkt als je je kennis wil vergroten. En vooral: hoe je met elkaar en met de mensen om je heen omgaat, waarom er regels en afspraken nodig zijn voor een fijn leef-, school- en leerklimaat. In de lessen zie ik dat ze hun best doen, ze zijn welwillend en we voeren regelmatig gesprekken over het belang van ‘bij de les’ zijn en veel oefenen, ook als ik ze niet continu in de gaten houd. Ik maak vaker informele praatjes, omdat ik zie dat precies daar nu voor mij de winst zit om ze aan de gang te krijgen en te houden. Ook collega’s met wie ik hierover spar doen al het mogelijke om wezenlijk contact te maken. Het lokaal moet een soort ‘safe haven’ zijn, we komen leerlingen tegemoet als ze met een verzoek komen, want we willen elke snipper initiatief belonen, en geen kans voorbij laten gaan om de intrinsieke motivatie te koesteren en te stimuleren.”

“En dan is er ook nog het nadenken over de toekomst. De leerlingen die nu een keuze moeten maken hebben vrijwel geen normale oriëntatie kunnen doen. Open Dagen bezoeken, de campus ontdekken, een dag proefstuderen in de collegezaal met honderden studenten, dat soort dingen. En geloof me, de universiteiten, hogescholen en het middelbaar beroepsonderwijs hebben zich in alle bochten gewrongen om dit toch zo goed mogelijk te organiseren. Petje af daarvoor, maar het haalt het in geen enkel opzicht bij wat er voorheen mogelijk was. Mijn collega en ik – ik ben ook decaan - voeren veel gesprekken met onze leerlingen en we zien hen worstelen met hun keuzes. Het is echt lastiger dan ooit. En er valt nog iets op, namelijk de sombere vooruitzichten van veel leerlingen. Ze zijn echt minder optimistisch, minder zeker over hun leven dan anders, meer leerlingen die last hebben van hoge stress, burn-outklachten en depressiviteit. Met mijn (mentor)leerlingen houd ik regelmatig korte of langere gesprekken. Als ik merk dat een leerling niet goed in zijn/haar vel zit, schakel ik sneller onze schoolmaatschappelijk werkster in, omdat ik denk dat zij beter kan bepalen bij welke hulp deze leerling het meest gebaat is. Het is gelukkig niet alleen maar kommer, hoor. Ik heb ook genoeg ontspannen gesprekken met leerlingen hierover. Veel leerlingen hebben hun optimistische kijk op de toekomst kunnen behouden, en ze kunnen soms verrassend goed relativeren. Dat helpt mij ook. Ik merk dat ik daarna in mijn les de boel weer wat luchtiger houd en dan bijvoorbeeld de druk van het moeten presteren probeer te vermijden. Dat kan niet altijd in de examenklassen, maar ik stel veel leerlingen gerust, spreek uit hoeveel vertrouwen ik heb in hun kunnen en beloof ook dat we samen de voorbereiding zo goed mogelijk uitvoeren. Die bevestiging hebben ze nodig, dat doet iets met hen.”

“Ik vind het echt heel verdrietig om te merken dat deze ontregeling van rust, ritme en regelmaat op een grote groep leerlingen zoveel impact heeft. Ook het feit dat maatregelen voor het onderwijs steeds abrupt en snel uitgevoerd moeten worden, dat er geen langetermijnplanning is, geen goed plan… het maakt het heel lastig. We moeten met corona gaan leven, dus we hebben ook structurele maatregelen nodig, structureel NPO-geld, wezenlijke investeringen in mensen en in gebouwen en lokalen. Zorg ervoor dat leraren en leerlingen veilig naar school kunnen. Dat zijn essentiële voorwaarden voor goed onderwijs, en daarmee ook voor het welbevinden van jongeren! Praat niet meer over achterstanden en leg minder nadruk op resultaten. Zet in op hun sociale ontwikkeling en welbevinden, want dat is de eerste voorwaarde voor het verder ontwikkelen van hun vermogens. Welke boodschap geven we aan jonge mensen als we steeds maar focussen op de achterstanden. Daarmee zeg je voortdurend tegen hen dat ze nu (nog) niet goed genoeg zijn en hoe kwalijk is dat…!?”

“Mijn inspiratie haal ik vooral uit het werken met jonge mensen, uit het overdragen van mijn kennis en ervaring. Ik werk nu al 32 jaar op dezelfde school en geniet nog elke dag als ik zie hoe mijn leerlingen zich ontwikkelen, op cognitief én op sociaal gebied. Ik sta met al mijn positieve energie voor de klas en probeer die positiviteit en die energie over te brengen op de leerlingen, op mijn groepen. En ik probeer een soort instelling mee te geven dat je zelf kunt werken aan zo’n positieve grondhouding. In deze tijd, waarin veel leerlingen worstelen met hun motivatie, vertel ik aan hen dat motivatie voor school niet terugkomt door alleen maar dingen te doen die je leuk vindt. Ik vertel dat je juist ook motivatie gaat voelen door de uitdaging aan te gaan en dat je dus niet te snel moet opgeven als het een keer tegenvalt. Vooral dat laatste, het opgeven, lijkt nu wat sneller te gebeuren en dus ga ik daarover het gesprek aan en hoop ik die leerlingen toch ‘aan’ te zetten. Het is een gegeven dat onze leerlingen en heel veel andere (jonge) mensen in een onzekere en moeilijke tijd zitten, maar ik weet ook dat er gelukkig veerkracht in ons allemaal zit. Ik ben ervan overtuigd dat we met inspanning van iedereen die betrokken is bij onze leerlingen deze ‘crisis’ door gaan komen en dat de toekomst er weer rooskleurig uit gaat zien!”

Gabriëlle Franquinet is docent Duits in bovenbouw van havo en vwo en decaan vwo op het Montessori College in Nijmegen, waar ze al sinds 1989 werkt. Ze is lid van de redactie-adviesraad van Van Twaalf tot Achttien, ze leert sinds een aantal jaar zeer fanatiek Spaans en houdt zichzelf zo goed mogelijk op de hoogte van alles met betrekking tot het voortgezet onderwijs.

Delen: