“Onderwijs: sta op eigen benen in de wereld”

Een gesprek met Lisette Bastiaansen over nieuwe onderwijstijden

 

Lisette Bastiaansen is recentelijk onder leiding van Gert Biesta gepromoveerd op een proefschrift over de pedagogische betekenis van ‘aandachtige betrokkenheid’. Haar werk heeft betekenis op de kleine maar belangrijke momenten tussen leraar en leerling, maar kan evenzogoed uitzoomen naar de staat van onze samenleving. Ze voerde het gesprek met Herman Wijffels. We vragen haar nu de brug te slaan naar het onderwijs.

Wijffels beschrijft hoe dit tijdperk aan het aflopen is want onhoudbaar, en hij schetst de contouren van een nieuwe tijd. Hoe lees jij deze verhandeling? “Het lijkt me dat Herman Wijffels een prachtig vergezicht schetst en daarbij de vinger precies op de zere plek legt. Balans vind ik daarbij een sleutelwoord, zowel in zijn verhaal als ook in het pedagogische vlak. Het gaat om het steeds weer opnieuw hervinden van een evenwicht dat goed uitpakt. Een balans tussen geven en nemen, van en aan de natuur en van en aan de ander. Een balans tussen uiterlijk manifesteren en tijd voor innerlijkheid, tussen vooruitgaan en samen-stil-staan, tussen lijf en leden, tussen onderlinge afhankelijkheid en onafhankelijkheid, tussen aandacht voor het ‘ik’ en aandacht voor het ‘wij’. Die balans is geheel uit het lood, als gevolg van eeuwenlang economisch gedreven en op expansie gericht leven. Het is misschien zelfs de vraag of we nog voldoende voeling hebben met waar dit heilzame evenwicht weer te vinden is, of tijd en ruimte ervaren om ernaar op zoek te gaan. Het zal dus geen makkelijke weg zijn. Er is hard werk nodig, harde krachten, maar dat is onvoldoende. We moeten ook een groot beroep doen op wat ik vaak noem: zachte krachten. Krachten die samenbrengen, koesteren, die samen-mens-zijn boven economische groei stellen, waarbij wij onszelf niet langer boven de natuur stellen, maar gaan beseffen en ervaren dat we er deel van uitmaken. Als ik mijn eigen onderzoek hierbij betrek, dan vind ik daarin dat balancerende terug: verbinden én afscheiden, afstand én wat meer nabijheid, samen én toch alleen, kinderen ‘laten’ maar toch soms ook juist beweging proberen te articuleren. Deze aandachtsbewegingen gestalte geven vraagt echt om evenwichtskunsten.”

Past een transitie zoals beschreven door Wijffels bij de opvattingen zoals jij die hebt over veranderingen in het huidige onderwijs? “Ik heb grote problemen met de plek die de school momenteel inneemt in de samenleving. School zou een plek moeten zijn waar jonge mensen in alle rust mogen leren hoe zich te verhouden tot de ander en tot de wereld. Een plek ook waar oud en nieuw samenkomen: de bestaande orde, en dat wat nog niet geweten is, en waar ze uiteindelijk in de toekomst hun eigen interpretatie en werk van moeten en moeten mogen maken. Dat gaat gepaard met uitdaging, met wrijving, er mogen fouten gemaakt worden, maar er is ook rust en geborgenheid. School zou – alle grote pedagogen zeggen dat ook –  gezien moeten worden als oefenplek tussen de wereld en thuis. Echter, de kwaliteit van dat oefenen en van die oefenplek staat onder druk. Van buitenaf door machten en krachten die belang hebben bij de status quo, waar Wijffels het ook over heeft. Een bestaande orde waarin school toch vooral en volledig ten dienste moet blijven staan van de economie, voortgestuwd door meritocratisch gedachtegoed: je bent zo goed en zo bruikbaar als je prestaties zijn. Maar ook van binnenuit. Het onderwijs kan goede, bezielde leraren niet vasthouden. Ze vertrekken, terwijl we er juist grote behoefte aan hebben, aan leraren die vanuit hun hart lesgeven maar zich ook steeds opnieuw blijven ontwikkelen, in hun vak en op pedagogisch en didactisch terrein. Dat oefenen met samenleven, met in de wereld gaan staan als jong mens, gebeurt namelijk IN de klas, in de interactie tussen leraar en leerling, al dan niet met en via de vakinhoud. Daar, in die 1-op-1 relatie, komt als het ware het pedagogisch oefenen met als mens in de wereld bestaan samen, daar wordt onderwijskwaliteit gemaakt. De reactie van het beleid om de eisen aan nieuwe leraren steeds naar beneden bij te stellen vind ik daarom ook desastreus.”

Afbeelding met persoon, muur, kleding

Automatisch gegenereerde beschrijving

Lisette Bastiaansen

Onderwijs als productiebedrijf en te weinig leraren. Wat moeten we doen? “Scholen en onderwijs zijn erg druk met klappen opvangen, met intern problemen oplossen, met achter de feiten aanlopen, of met nieuwe hypes. In de termen van wereldvernietiging en zelfvernietiging van Gert Biesta zou je kunnen zeggen dat de wereld de school dreigt te vernietigen en dat school ook zichzelf enigszins vernietigt. Martin Buber spreekt van het vrije midden tussen afhankelijk en onafhankelijk. Misschien is de school te afhankelijk van wat er op hem/haar toe komt, en zoekt onafhankelijkheid – bescherming - door zich af te sluiten. Ik denk dat het belangrijk is dat onderwijs zichzelf niet langer laat mangelen of kleineren, maar de volwassenwordingshandschoen oppakt. Zich als het ware opnieuw gaat verhouden tot zichzelf - een pedagogische kwestie, waardoor het actief en waardig (en dus niet re-actief en vanuit angst) een plek in de wereld kan innemen. Dat begint wat mij betreft door steeds opnieuw terug te gaan naar de vraag: waar doen we het voor? Waar doe ik het uiteindelijk voor? En doen we dat zo goed als mogelijk? Niet dat je permanent in een staat van reflectie moet verkeren, maar wél dat je ‘tegen de wereld in’ iedere dag opnieuw contact zou moeten proberen te maken met de vraag: wat was ook weer onze grotere bedoeling, onze werkelijke intentie en welke kwaliteit kunnen en willen we daarin laten zien?”

Wat was ook weer onze grotere bedoeling, onze werkelijke intentie?

Lisette Bastiaansen

En dat is? “Als je die vraag aan scholen en leraren stelt, komt dat, weliswaar in verschillende bewoordingen, bijna zonder uitzondering neer op het in de wereld brengen van een zelfstandig mens. Je ziet zelfs dat alleen al bij het beantwoorden van deze vraag leraren weer in contact komen met hun innerlijke drijfveren en trots op het werk en het vak. Als ze die verbinding echt kunnen vinden zie je ook een nieuwe openheid ontstaan: kom-maar-op-wereld-ik-weet-echt-waar-ik-voor-ga-en-sta. Terugkomend op de ‘balans’ waar we het eerder over hadden… dit gaat ook om een soort innerlijke balans. Dat geldt voor mensen, maar wat mij betreft ook voor organisaties. Wijffels sprak van ‘je moet naar binnen kijken om naar buiten stevig te staan.’ Filosoof Bollnow spreekt van een ‘getroost gemoed’, dat je in staat stelt open te blijven staan naar de wereld, tegelijkertijd trouw blijvend aan je eigen opdracht. Een geborgen binnenruimte. Recent las ik ergens de term ‘ademend onderwijs’. Ik vind dat een prachtige term. Ik zou tegen onderwijs willen zeggen: ga op zoek naar die geborgen binnenruimte, laat je niet de hele tijd alleen maar ringeloren door wat de buitenwereld lijkt te eisen en vragen, laat dat-wat-was achter je, durf angsten of afgeslotenheid te onderzoeken en durf op eigen benen in de wereld te gaan staan.”

En als je weer uitzoomt?  “We leven in een wereld die zowel democratisch als ecologisch onder grote druk staat. Wijffels en ook de pedagogiek, zeker de politieke pedagogiek – kijk bijvoorbeeld naar Michael Apple of Henry Giroux –  signaleren al tijden dat onderwijs niet langer alleen maar ‘de knecht’ zou moeten zijn van het bestaande economische en maatschappelijke denken. Niet langer alleen leerlingen zou moeten willen opleiden aan de leiband van het huidige ‘hidden curriculum’, een curriculum dat in alles het neo-liberale, eenzijdig cognitieve op prestatie gerichte denken uitwasemt. Onderwijs zou kunnen zeggen: wij kiezen ervoor om het oefenen met samen-mens-zijn (democratie) en het oefenen met het in werkelijk gesprek zijn met de aarde (ecologie) als basisgedachte achter al ons onderwijs centraal te stellen. Op ecologische en democratische grondslag geënt onderwijs, waarin het dus niet draait om alleen maar ‘skills’ bijbrengen, of om het socialiserend ‘trainen’ van kinderen om deel uit te maken van een democratisch bestel. Maar om het in de wereld brengen van jongere mensen die hebben geleerd om verantwoordelijkheid te nemen, voor zichzelf, voor anderen en voor de wereld. Dat heeft niets te maken met het afwijzen van prestaties, of het niet willen ‘afleveren’ van mensen die passen op de arbeidsmarkt. Want juist die toekomstige arbeidsmarkt gaat mensen nodig hebben die deze principes met zich meedragen. Mensen met wie we de balans kunnen herstellen.

Pedagoog Kelchtermans zegt: durf geëngageerd buiten de lijntjes te kleuren en af en toe wat dwars te liggen. Ik heb er alle vertrouwen in dat onderwijs deze handschoen op zal pakken. Juist omdat onderwijsmensen zo’n groot hart voor onderwijs en hun leerlingen hebben. Iedereen voelt dat het momenteel schuurt en wringt. Ik zie nieuwe onderwijsinitiatieven ontstaan, ik zie leraren en scholen werkelijk verantwoordelijkheid nemen, terugkomen bij de werkelijke bedoeling en bezieling. Laten we deze scholen en leraren, die in zekere zin aan waaghalzerij doen, de ruimte geven. Zij proberen te doen wat anderen nog niet durven. Ja, dan zullen er fouten gemaakt worden. Maar zonder misstap geen vernieuwing.”

Tot slot? “Waar we nu over praten is niet uitsluitend een onderwijsvraagstuk. Kijken in andere werelden kan heel bemoedigend zijn. Ik las recent een verhaal over het Bernhovenziekenhuis, dat poogt onnodige behandelingen, die vaak ook nog schadelijk zijn, uit te bannen. Ze wilden daar niet langer meedoen aan het op zoveel-mogelijk-omzet-maken-en-geld-verdienen gebouwde systeem. Ze besloten voortaan minimaal 25 minuten kennis te maken met de patiënt, alvorens over te gaan tot welke behandeling dan ook. Het plan slaagde, vijftien tot twintig procent minder behandelingen. Maar financieel lukte het nog niet. Daar zijn ze nu mee in de weer.

Niemand weet nog precies de weg, maar dat die weg gaat komen is zeker. Laten we elkaar werkelijk ontmoeten, en dan zal vanuit die ontmoeting een nieuwe weg kunnen ontstaan. Laten we samen niet-zoeken-maar-wel-vinden, zoals Picasso zou zeggen. Misschien is het mooi om te wijzen op die uitspraak van Picasso, die voor mij in mijn zoektocht naar antwoorden steeds de leidraad is geweest en die ook voor de pedagogiek wat mij betreft de basis vormt.”

Ik zoek niet – ik vind.

‘Zoeken, dat is uitgaan van het oude in een willen vinden van het al bekende in het nieuwe. Vinden, dat is het volledig nieuwe, ook in de beweging. Alle wegen zijn open, en wat gevonden wordt is onbekend. Het is een waagstuk, een heilig avontuur. Het ongewisse van zulke waagstukken kunnen eigenlijk alleen diegenen op zich nemen die zich geborgen weten in ongeborgenheid, die in het ongewisse raken en geen leiding ervaren, die zich in het duister overgeven aan een onzichtbare ster en zich door hogere doelen laten leiden, in plaats van in de beperking en de begrenzing van het menszijn het doel te bepalen. Dit openstaan voor ieder nieuw inzicht, voor iedere nieuwe beleving, zowel uiterlijk als innerlijk, dat is het wezenlijke van de moderne mens, die in alle angst voor het loslaten, toch de genade ervaart van het gehouden zijn aan de openbaring van nieuwe mogelijkheden.’ – Pablo Picasso (in: Huidekoper, 1995, p. 8)

Afbeelding met buiten, grond, trottoir, straat

Automatisch gegenereerde beschrijving

 

 

BOEK

 

‘Aandachtige betrokkenheid’ als pedagogische grondhouding

Een grondhouding van ‘aandachtige betrokkenheid’ daagt en nodigt leerlingen uit om te oefenen met het op een volwassen manier omgaan met de eigen vrijheid. Maar wat bedoelen we als we zeggen dat we aandachtig betrokken zijn bij een kind? En wat is de pedagogische betekenis van die ‘aandachtige betrokkenheid’? Verder bouwend op de theorie van presentie en op werk van een aantal grote pedagogen zou je de theorie op de volgende manier kunnen samenvatten. ‘Aandachtige betrokkenheid’ kent in de basis drie verschillende aandachtsbewegingen: ‘aandachtig zijn’ (een binnenkomende beweging), ‘aanwezig zijn’ (een innerlijke beweging) en ‘betrokken zijn’ (een uitgaande beweging). Deze drie bewegingen vormen samen de pedagogische grondhouding van leraren.

Aandachtige betrokkenheid manifesteert zich subtiel. Het bestaat ogenschijnlijk meer uit niets doen dan iets doen, het is gebouwd op vertrouwen, het toont zich impliciet en maakt gebruik van alledaagse 'aandachtsgeleiders', zoals een goed inhoudelijk gesprek, het gezamenlijk klussen en/of gedeelde humor. Het laat zich niet vastleggen in protocollen en vraagt om permanent onderhoud. ‘Aandachtige betrokkenheid’ zou je een ‘zachte kracht’ kunnen noemen, gebouwd op een grondtoon van kleine, op het eerste gezicht haast onzichtbare kruimels van aandacht en betrokkenheid. Liefdevol ruimte makend, wakker aanwezig en tegelijkertijd afscheidend begrenzend, lukt het de aandachtig betrokken leraar om de leerling uit te nodigen en uit te dagen de eigen zelfstandigheid en vrijheid op te pakken.

In vijftien in onderwijspraktijken opgetekende portretten laat Lisette Bastiaansen zien hoe ‘aandachtige betrokkenheid’ zich in de praktijk van alledag manifesteert. Het boek is de publieksversie van het recente promotieonderzoek van Lisette Bastiaansen aan de Universiteit voor Humanistiek, kijk op: https://www.uvh.nl/actueel/nieuws/aandachtige-betrokkenheid-als-grondhouding-nodigt-leerlingen-uit-om-op-een-volwassen-manier-met-vrijheid-om-te-gaan

 

 

Delen: