Docenten BWI ontwikkelen nieuwe richtlijn voor hun praktijklokaal

Goed en verantwoord werken in de praktijklokalen. Dat vinden alle docenten, instructeurs en directies in het (v)mbo belangrijk. En dat vraagt om goed toezicht en een verantwoord aantal leerlingen per lokaal. Maar wat is goed toezicht? En hoeveel leerlingen is een verantwoord aantal? Het platform Bouwen Wonen en Interieur (BWI) ging met die vragen aan de slag en werkte, samen met BWI-docenten en Voion, aan een landelijke duidelijke standaard. Dat bleek minder eenvoudig dan gedacht.

Cor de Ridder is landelijk coördinator van het platform BWI en projectleider voor veilige praktijklokalen BWI. Hij vertelt: “Vanuit scholen krijg ik regelmatig de vraag wat een verantwoord aantal leerlingen in het praktijklokaal is. Deze vraag is echter niet makkelijk te beantwoorden.” BWI-docent Henk van Ginkel vult aan: “Het gaat daarbij vooral om het welbevinden van de docent: wanneer voelt deze zich veilig en comfortabel in het werken in het praktijklokaal? Dat is voor elke docent anders en hangt van verschillende factoren af. Denk aan de grootte en de zichtlijnen van het lokaal, de apparatuur waarmee gewerkt wordt en het aantal docenten en instructeurs in het lokaal.”

Nieuwe richtlijn opstellen

Samen met Leen Prins, voorzitter van het platform BWI, besloten de heren aan te kloppen bij Voion. Cor: “Voion heeft veel ervaring met vraagstukken rondom veiligheid en we werken ook regelmatig samen aan de websites rondom veilige praktijklokalen. Rick van Workum van Voion was meteen enthousiast, het is immers een vraag die echt leeft op scholen. Voion had al een VO-signaal over het organiseren van goed toezicht. Daarin werden onder meer het belang en de uitgangspunten voor het bepalen van goed toezicht beschreven. Docenten hadden echter behoefte aan een concrete uitwerking van dat VO-signaal, wat overigens ook al in het VO-signaal zelf werd voorgesteld. Zo kwamen we tot de conclusie dat het zinvol zou zijn om een nieuwe richtlijn op te stellen. Het belangrijkste uitgangspunt: de doelgroep – docenten, instructeurs en directies – moet erachter staan, dus het is belangrijk om hen erbij te betrekken.”

 

Het document biedt echt goede handvatten, waar docenten en directies concreet iets mee kunnen.

Cor de Ridder

Een paar A4’tjes?

Het oorspronkelijke idee was om enkele richtlijnen/criteria op een paar A4’tjes te zetten en deze vervolgens met de doelgroep te bespreken. Leen Prins: “We hebben een werkgroep samengesteld met docenten van verschillende scholen en regiocoördinatoren van BWI. Tijdens de eerste bespreking kwamen we er al snel achter dat het onmogelijk was om voor elke situatie een passende richtlijn vast te stellen. Daarom zijn we eerst met elkaar in gesprek gegaan om te kijken of we een standaardsituatie konden formuleren, een uitgangspunt eigenlijk.”

Van standaardsituatie naar normen

Die standaardsituatie werd uiteindelijk: een praktijklokaal met goede zichtlijnen, een groep leerlingen zonder ‘rugzakje’, apparatuur die voldoet aan de veiligheidseisen en instructeurs die voldoende gekwalificeerd zijn. Op basis van die standaardsituatie is de werkgroep vervolgens normen gaan vaststellen. Henk: “We hebben elkaar onder andere de vraag gesteld: met hoeveel leerlingen voel jij je prettig in het praktijklokaal? Wanneer vind je een extra instructeur nodig? Welke maatregelen neem je als leerlingen met gevaarlijke apparatuur, zoals een cirkelzaag, werken? Die meningen en ideeën hebben we proberen samen te vatten in de richtlijn.”

Tabellen en tips

Zo zijn er onder andere tabellen opgenomen voor het aantal leerlingen per m2 en per docent/instructeur. Cor: “Tijdens de gesprekken met de werkgroep bleek de behoefte hieraan groot. Docenten en directies kunnen daardoor in één oogopslag zien wat een verantwoord aantal is. Dat helpt docenten in het gesprek met de directie over hoe groot een klas kan zijn, maar ook of het nodig is om extra docenten/instructeurs in te zetten. Voor een docent gaat het om veiligheid en welzijn, bij een directie gaat het ook om de betaalbaarheid.” Leen vult aan: “Kwalitatief goed en veilig onderwijs moet altijd voorop staan, daarna ga je kijken hoe je dat gefinancierd krijgt. Daarom hebben we ook een hoofdstuk over financiering van het onderwijs opgenomen. Dankzij de stimuleringsregel Sterk Techniekonderwijs is er meer haalbaar dan vaak gedacht wordt. Het is wel belangrijk om het geld op de juiste manier te besteden. We geven daarvoor ook een aantal tips in het document. Het is dus een document dat ook een directie handvatten geeft.”

Veiligheidsrisico’s van gereedschappen

Opvallend is verder een overzicht van de veiligheidsrisico’s van de verschillende gereedschappen. Henk legt uit hoe dit tot stand is gekomen: “Je hebt al snel het gevoel dat werken met een handbeitel minder gevaarlijk is dan met een schuurmachine of cirkelzaag. Maar we wilden graag weten of dat ook klopt. Met het risicoclassificatie model van Kinney & Wiruth hebben we voor de meest voorkomende gereedschappen de risico’s gewogen. Dit model kijkt niet alleen naar hoe groot het risico is dat er iets misgaat, maar ook naar de impact daarvan. Dat leverde een verrassende conclusie op: bij de meeste gereedschappen zijn de risico’s vergelijkbaar. Natuurlijk is een cirkelzaag gevaarlijker dan een beitel. Maar een beitel wordt veel vaker gebruikt, dus de kans dat er iets misgaat is daarmee groter. Wel hebben we in de richtlijn opgenomen dat het belangrijk is om extra maatregelen te nemen bij apparatuur die een grote impact hebben bij een incident, zoals het inzetten van een extra instructeur.”

Proces dat je samen moet doorlopen

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van zaken die in de richtlijn zijn opgenomen. Cor: “Al met al werd het document steeds omvangrijker, maar ook steeds completer. We zijn van enkele A4’tjes uiteindelijk naar ruim 30 pagina’s gegaan, maar het resultaat mag er zijn. Wij zijn er blij mee en Voion ook, vooral omdat het echt vanuit het werkveld tot stand is gekomen. Het document biedt echt goede handvatten, waar docenten en directies concreet iets mee kunnen. We zien dat in de praktijk ook al: docenten durven eerder het gesprek met hun leidinggevenden aan te gaan over de veiligheid in het praktijklokaal. En dat is ook nodig, want aan een prettige en veilige werkomgeving werk je samen! We hopen dat andere vmbo-profielen hier ook mee aan de slag gaan, want het is een onderwerp dat niet alleen bij het BWI-profiel speelt. Ook voor hen is het belangrijk om zo’n richtlijn van onderop tot stand te laten komen en niet het BWI-document te pakken en de cijfers aan te passen. Het is een proces dat je echt samen moet doorlopen om een breed gedragen en goed werkbaar document te krijgen. Tot slot: het moet ook een levend document blijven. De belangrijkste richtlijnen voor BWI staan nu vast, maar we blijven het continu monitoren, aanvullen en verbeteren. Veiligheid en welzijn hebben immers continu aandacht nodig!”

Delen: