De school als oefenplaats voor burgerschap

Het zou mooi zijn als het agenderen van burgerschap en burgerschapsvorming bij scholen vooral leidt tot zelfreflectie: nadenken over hoe we willen samenleven en over de manier waarop de school daarvoor een oefenplaats kan zijn. Dat zegt Willemijn Rinnooy Kan, die volgend jaar zal promoveren op dit onderwerp. Wat betekent dat eigenlijk, de school als oefenplaats voor burgerschap? We noteren alvast enkele observaties.

De Britse socioloog T.H. Marshall publiceerde in 1950 zijn essay ‘Citizenship and Social Class’, waarin hij betoogt dat burgerschap door de tijd heen steeds een andere focus kent. Had het begrip in de 18e eeuw vooral betrekking op de verwerving van burgerrechten, in de 19e eeuw ging het om politieke rechten en in de 20ste eeuw stonden sociale rechten centraal. En in de 21ste eeuw? Het feit dat we in Nederland ook spreken van burgerschapsvorming zegt iets over de invulling die we eraan geven, aldus onderzoeker Rinnooy Kan. ‘We vatten het begrip breed op. Het gaat niet alleen over het deelnemen aan een democratische rechtstaat. We kennen er ook een sociale dimensie aan toe. Het gaat dus ook over de manier waarop we samenleven, over de verhouding tot de ander.’

Sinds 2006 hebben scholen een inspanningsverplichting als het gaat om burgerschapsonderwijs en in het najaar wordt naar verwachting duidelijker aan de hand van welke thema’s burgerschap in het nieuwe curriculum gestalte zal krijgen. ‘Maar dat scholen een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van burgerschap is niet nieuw,’ zegt Rinnooy Kan, ‘Op scholen hebben altijd al activiteiten plaatsgevonden die te maken hebben met het voorbereiden van leerlingen op de samenleving, ook voordat het werd gelabeld als ‘burgerschap’. Je ziet dat scholen op dit moment kiezen voor een invulling van burgerschap die past bij hoe ze zichzelf zien en bij activiteiten die ze toch al ondernemen. Een school die gericht is op internationalisering ziet daarin al snel elementen van burgerschap, en een school met een sterk cultureel profiel vult burgerschap in met kunstvakken. Men gebruikt de onderwijsvrijheid om het begrip burgerschap te laden.’
Op zich vindt Rinnooy Kan het nuttig dat er nu gestreefd wordt naar een afbakening van het domein om meer helderheid te scheppen voor docenten en schoolleiders. Het zou mooi zijn, vindt ze, als dat leidt tot een bewustere reflectie op hun eigen invulling van burgerschapsvorming.’
Of en hoe we dat dan meetbaar moeten maken is een kwestie, die we even laten liggen.

Oefenplaats
Het onderzoek van Rinnooy Kan concentreert zich in belangrijke mate op de vraag: wat als we de school zien als een gemeenschap en als oefenplaats voor burgerschap? Wat betekent dat dan? Rinnooy Kan: ‘Welke visie op burgerschap is aanwezig op scholen en hoe zie je dat terug in de organisatie? Hoe leeft men dat voor? En is men dan vooral gericht op leerlingen of wordt iedereen binnen de school hierbij betrokken? Leerlingen, directie, leraren, ondersteunend personeel? Als participatie belangrijk wordt gevonden, hoe is dan bijvoorbeeld inspraak geregeld, van leerlingen én van medewerkers? Mag de leerlingenraad over meer beslissen dan enkel over het schoolfeest? Als burgerschap zo belangrijk is, is er dan ook een gemeenschapszin op school onder álle docenten om hiervan werk te maken? Met andere woorden, hoe functioneert de school als gemeenschap, hoe ziet men zichzelf in het grotere maatschappelijke geheel en hoe geeft men - in dat besef - invulling aan die plek en verantwoordelijkheid? Het zijn precies dat soort vragen die de school zichzelf zou moeten stellen. En: er zijn grotere kwesties.

Want als je op school voornamelijk leerlingen tegenkomt die op jou lijken, wat leer je dan precies over samenleven?

Willemijn Rinnooy Kan

Ontmoetingsplaats?
Rinnooy Kan: ‘In Nederland verdelen we onze leerlingen al vroeg in afzonderlijke stromen. Kinderen met verschillende achtergronden komen elkaar al snel niet meer tegen (kinderen uit gezinnen die van elkaar verschillen op het gebied van sociaal-economische status en opleidingsniveau van de ouders [red.] ) Dat heeft consequenties voor de school als oefenplaats en ontmoetingsplaats. Want als je op school voornamelijk leerlingen tegenkomt die op jou lijken, wat leer je dan precies over samenleven? Op de gymnasia en categorale vwo scholen, scholen met een relatief homogene leerlingpopulatie, geeft men vaak aan dat burgerschap niet zo’n issue is. Hier, zo zegt men, staan de leerlingen positief tegenover de democratie, hebben kennis over de rechtstaat, en houden er geen ‘rare’ meningen op na. Op scholen daarentegen waar van alles speelt en waar de samenlevingsproblematiek voelbaarder is, wordt een grotere urgentie gevoeld om aandacht te hebben voor burgerschap. (Nadenken over burgerschap is in zekere zin vrij ‘reactief’.) Als ontmoetingsplaats zou je deze scholen rijkere omgevingen kunnen noemen, contexten die sterker uitnodigen om van elkaar te leren. Terwijl juist op die de scholen waar burgerschap niet zo’n thema is, leraren en schoolleiders van burgerschap een thema zouden moeten maken. Omdat ook op die scholen een verantwoordelijkheid bestaat om te reflecteren op hun eigen positie in het grotere geheel is. Docenten en schoolleiders zouden zich moeten afvragen: hoe denken we over ongelijkheid, over discriminatie, hoe reflecteren we op thema’s die onze leerlingen eigenlijk niet zo bezighouden, omdat ze deze eenvoudigweg niet tegenkomen? Juist ook deze scholen hebben een visie op burgerschap nodig.’

Niet alleen de samenstelling van de populatie geeft aanleiding tot verschillen. Ook het onderwijsniveau. Rinnooy Kan: ‘Burgerschapsonderwijs in de afzonderlijke stromen laat accentverschillen zien. Op het vwo, en ook wel op de havo, wordt meer de nadruk gelegd op het opleiden van de leerlingen tot kritische, autonoom denkende burgers. De boodschap op het vmbo echter is vaak een andere. Daar legt men uit hoe de democratie werkt, maant men leerlingen om zich aan de regels te houden, om zich aan te passen. Denk daar eens over na: je haalt kinderen vroeg uit elkaar en geeft ze vervolgens een verschillend beeld mee over burgerschap. Ik vind dat een risico. Het draagt bij aan ons stelsel als instituut van reproductie van ongelijkheid.’

Zelfreflectie
Politieke of maatschappelijke discussies over burgerschap worden vaak gevoerd vanuit een soort ‘tekort’-perspectief. Ze gaan meestal over een gebrek aan burgerschap dat je meent te ervaren bij de ander, die niet burger is op een manier de jij graag zou zien. Rinnooy Kan: ‘Maar ik zie nadenken over burgerschap liever als een positieve uitnodiging aan iedereen, omdat samen leven nu eenmaal iets is waarvoor we collectief verantwoordelijk zijn. Daarom zou ik het mooi vinden als een reflectie op burgerschap leidt tot zelfreflectie, juist ook binnen het onderwijs: tot nadenken over de eigen plek en verantwoordelijkheid van de school en haar leerlingen in dit verhaal. Als dat gebeurt, heb je ook voor de leerlingen die vanaf hun geboorte al nauwelijks meer kunnen falen een verhaal. Dan kun je ook op het vwo een heel relevant gesprek voeren over persoonlijke verantwoordelijkheid en persoonlijke bijdrage, over de niet zo vanzelfsprekende democratie en over de kwetsbaarheid van samenleven.’

Afbeeldingsresultaat voor willemijn rinnooy kan

Willemijn Rinnooy Kan studeerde politicologie, sociologie en religiewetenschappen. Op dit moment is ze onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam en promoveert ze binnen het bredere thema Understanding the effects of schools on citizenship.

Delen: