van12tot18 agendavan12tot18 webshop
van12tot18 proefabonnementvan12tot18 estafette


btn lezen

shutterstock 546679942Mag je expirimenteren met kinderen?

Hoe kunnen kwaliteitsborging en onderwijsinnovatie hand in hand gaan?

Die vraag stelden we in het februarinummer naar aanleiding van de nieuwe werkwijze van de Inspectie, bestaande uit een combinatie van het waarborgen van de basiskwaliteit en het stimuleren van scholen bij verdere kwaliteitsontwikkeling. Kwaliteitsborging en stimulering gaan niet vanzelfsprekend samen, zo leren we van een viertal innovatieve scholen. Bij onderwijsinnovaties horen risico’s, terwijl kwaliteitsborging juist risico’s wil reduceren. In dit artikel betogen we hoe innovatie en kwaliteitsborging wel samen kan gaan op scholen.    

In 2008 concludeerde de Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen (de Commissie Dijsselbloem) in haar rapport Tijd voor Onderwijs dat grootschalige onderwijsvernieuwingen vanuit de overheid mislukt waren en dat onderwijsinnovatie vooral een taak van scholen en leraren moet zijn. Dat legt een belangrijke verantwoordelijkheid bij scholen om na te denken over de implicaties van een veranderende samenleving en nieuwe maatschappelijke uitdagingen en die implicaties te vertalen naar innovaties in het onderwijs. Die innovaties zijn veelal schoolspecifiek op basis van de onderwijskundige en maatschappelijke visie van de school. Vier voorbeelden van scholen die op zo’n manier met innovatie bezig zijn, zijn in het mei, juni, september en oktobernummer geschetst door Judith Grapendaal, Edu Onderwater, Celine Uriot en Rosan Wenker[1]. De portretten laten enkele belangrijke ingrediënten zien van innovatieprocessen in scholen. Allereerst is er een duidelijke visie op de opdracht van de school. Die visie wordt vervolgens vertaald naar een expliciete formulering van wat de school verstaat onder ‘onderwijskwaliteit’ en vervolgens naar indicatoren waarmee die kwaliteit zichtbaar gemaakt kan worden. Dat is het handvat om nieuwe vormen van onderwijs te ontwikkelen en te implementeren, een proces dat binnen de vier scholen plaats vindt in nauwe dialoog met de belangrijkste betrokkenen: schoolleiding, leraren, leerlingen, ouders en de Inspectie.

Innoveren en risico gaan hand in hand

Het kenmerk van innovaties is echter dat het gaat om nieuwe aanpakken die zich (in elk geval in de context van die specifieke school) nog niet bewezen hebben. Daarmee is er dus nog geen garantie dat de innovaties werken en dus bijdragen aan de (basis)kwaliteit van de school. Er ontstaat zo een dilemma voor zowel de school als de Inspectie: innovatie en kwaliteitsborging liggen immers niet zondermeer in elkaars verlengde. Sterker nog: innovaties creëren onzekerheden en risico’s ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs. Dat roept de vraag op hoe we in het onderwijs omgaan met innovatie en risico.

In het bedrijfsleven is de verbinding tussen innovatie en risico een vanzelfsprekendheid. Een nieuw product of een innovatieve dienst leidt niet altijd tot een kassucces. Mislukkingen horen er bij. Dergelijke mislukkingen vinden we in de publieke sector echter lastiger. In het gevangeniswezen, de gezondheidszorg of de psychiatrische hulpverlening kunnen mislukkingen grote schade aanrichten, niet alleen voor de instelling die de innovatie initieert (bijvoorbeeld ten aanzien van de reputatie van de instelling), maar ook voor de cliënten zelf of voor de bredere. Ook voor het onderwijs kunnen mislukkingen van innovaties grote implicaties hebben voor de ontwikkelingen van kinderen. Dat roept de vraag op of scholen en leraren mogen ‘experimenteren met kinderen’. En daar ontstaat precies het spanningsveld. Als samenleving zijn we steeds meer risicomijdend geworden. Als er iets misgaat, komt gelijk de vraag op wat we moeten doen zodat dat nooit meer kan gebeuren. Daarmee worden risico’s als negatief gezien en als iets dat vermeden moet worden. In een veranderende samenleving is risico echter onlosmakelijk verbonden met innovatie en gaat het niet om de vraag hoe risico vermeden kan worden, maar om de vraag hoe risico beheerst kan worden en hoe daarvan geleerd kan worden.

Bewust experimenteren

Dat beheersen kan door allereerst in te schatten of een innovatie kansrijk is. Er is veel bekend over kansrijke innovaties en minder kansrijke innovaties in het onderwijs, uit wetenschappelijke literatuur[2]en door te leren van goede voorbeelden. Daarnaast kan een risico beheerst worden door innovaties niet gelijk heel breed in te voeren, maar door eerst te experimenteren. Daarbij worden nieuwe aanpakken in enkele klassen of bij groepen leerlingen uitgeprobeerd, voordat ze breed worden geïmplementeerd. Voordeel daarvan is dat een vernieuwing eerst getest wordt, voor ze onomkeerbaar en op grote schaal wordt ingevoerd. Daarmee worden drie soorten risico ingeperkt: allereerst een organisatorisch risicodat te maken heeft met het feit dat innovatie veel vraagt van een organisatie en haar actoren. Als de onderlinge afstemming, de inzet van mensen en middelen en de competenties van betrokkenen niet goed op elkaar afgestemd zijn kan een innovatie makkelijk mislukken, zonder dat de beoogde inhoud van de innovatie zelf verkeerd is. Het tweede risico is het inhoudelijke risico: een innovatie is op papier mooi bedacht, maar heeft in de praktijk toch niet die opbrengst die van tevoren bedacht was, of een neveneffect dat als onwenselijk beschouwd wordt. Beide risico’s kunnen tot een derde risico leiden:reputatierisico. Door berichtgeving over een mislukte innovatie kan makkelijk negatieve beeldvorming over de school ontstaan, iets wat vaak lastig recht te trekken is (bijvoorbeeld bij de Iederwijs-scholen of de I-padscholen). Door eerst op kleine schaal te experimenteren en dat experiment goed te volgen – door bijvoorbeeld externen zoals de Inspectie, inhoudsexperts of onderzoekers mee te laten kijken – kan het risico op elk van de drie terreinen in de hand gehouden worden.

Risicominimalisatie, -management of -dialoog

Onzekerheid en daarmee het risico op mislukken of op ongewenste uitkomsten maakt onderdeel uit van elk innovatieproces. Scholen en hun omgeving kunnen op verschillende manieren omgaan met die risico’s. Een veelvoorkomende manier is om risico’s te minimaliseren.  Uitgangspunt is dat risico’s onwenselijk zijn en zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Een dergelijke benadering van risico minimalisatiekan echter al gauw leiden tot het vasthouden aan de status quo waardoor scholen de verbinding met een voortdurende veranderende samenleving met veranderende verwachtingen ten aanzien van onderwijs kwijtraakt. Een tweede manier gaat uit van risico analyse, waarbij de risico’s vooraf in kaart worden gebracht en vervolgens maatregelen genomen worden om elk risico te ‘managen’: hoe te handelen als een risico optreedt. In beide gevallen worden risico’s als iets negatiefs beschouwd. Een derde manier gaat juist uit van het feit dat risico’s onvermijdelijk onderdeel zijn van onderwijsinnovaties en juist een belangrijke bron van leren zijn. Het gaat daarbij om een afweging van voordelen en (mogelijke) nadelen van een innovatie. Die afweging is afhankelijk van het perspectief van verschillende actoren. Wat voor de één een voordeel kan zijn, kan voor de andere als een nadelig effect gezien worden. Wat voor de school en leraren een wenselijke uitkomst kan zijn (bijvoorbeeld kiezen om meer ruimte te maken voor teamoverleg), kan voor ouders minder wenselijk zijn (als dat ten koste gaan van de lestijd). Of wat voor ouders wenselijk kan zijn (meer ruimte voor inbreng en overleg met de leraar) kan voor leraren als negatief gezien worden (omdat dat meer overleg in de avonduren vraagt). Dat besef vraagt om een goed overleg tussen alle stakeholders, waarin de voors en tegen, de mogelijke opbrengsten en risico’s voor elk van de stakeholders op tafel liggen en besproken kunnen worden. Zo’n risico dialoog is gericht op het vergroten van betrokkenheid en consensus. Bij zowel het Hyperion College als CSG Jan Arentsz worden bijvoorbeeld ouders intensief betrokken bij de schoolontwikkeling.

Mislukkingen als bron voor leren

De vraag hoe om te gaan met risico’s bij innovaties is niet alleen een vraag voor scholen, maar ook voor leraren en lerarenteams. Ook leraren pakken individueel of gezamenlijk innovaties op (bijvoorbeeld in de context van het LerarenOntwikkelFonds). En ook leraren hebben daarbij te maken met organisatorische, inhoudelijke en reputatie-risico’s (bij leerlingen, ouders of schoolleiding). Dat vraagt ook van leraren dat zij bewust omgaan met risico’s. Niet door ze uit te bannen, maar door ze te omarmen en door mislukkingen te zien als mogelijkheden om van te leren. 

Mislukkingen blijken bij uitstek geschikt om van te leren. De School for Business and Economics van de Universiteit Maastricht heeft niet voor niets het Instituut voor Briljante Mislukkingen opgericht (www.briljantemislukkingen.nl). Voor hen is een briljante mislukking niets anders dan ‘een goed voorbereide poging om iets te realiseren met een andere uitkomst dan gepland en met een leereffect’. En met name dat laatste maakt een mislukking tot iets ‘briljants’. Bij een mislukte innovatie gaat het dan dus niet om de vraag ‘Wiens schuld is dat?’, maar om de vraag ‘Interessant, en wat heb je ervan geleerd?’. Het moet dus niet gaan om ‘blamen en shamen’, maar om ‘leren en verder innoveren’. Dat vraag van scholen en leraren(teams) de bereidheid – in de woorden van Elly Loman, rector van Hyperion – om ‘zich bloot te geven’. Dit gebeurt ook bij bij CSG Jan Arentsz, waar lerarenteams een mini-zelfevaluatie schrijven en hierover spreken met leerlingen, andere teams en ouders. Door van mislukkingen te leren, kunnen leraren(teams) stapsgewijs en meer verantwoord innoveren. Dit kan binnen de school, maar het is nog mooier als dit gedeeld wordt met leraren(teams) en schoolleiders op andere scholen. Wat te denken van een ‘Instituut voor Briljante Mislukkingen in het Onderwijs’?

Marco Snoek is lector Leren & Innoveren bij het Kenniscentrum Onderwijs en Opvoeding van de Hogeschool van Amsterdam. Daniëlla Nicolaes  is Inspecteur Primair Onderwijs bij de Inspectie van het Onderwijs en betrokken bij de pilot Flip the School. Inge de Wolf is bijzonder hoogleraar Education Systems aan de Universiteit van Maastricht.



[1]Het gaat om het Vathorst College, het Hyperion College, CSG Jan Arentsz Langedijk en het Eerste Christelijke Lyceum. De vier scholen nemen deel in het project Scholen Zelfevaluatie, zie https://onderzoekonderwijs.net/2017 /09/08/flip-the-system-aan-het-werk-2-pilot-scholenzelfevaluatie

[2]Zie bijvoorbeeld op de website www.bestevidence.org, de overzichtsboeken van Manzano en het werk van Hattie (2008, 2011 & 2013).

Abonneren >>
Inschrijven nieuwsbrief >>
Kennispartners >>