van12tot18 agendavan12tot18 webshop
van12tot18 proefabonnementvan12tot18 estafette


btn lezen

de-boekenkringDe boekenkring

Vergeten samenhang

De Duitse pedagoog Klaus Mollenhauer (1928-1998) schreef Vergessene Zusammenhänge begin jaren 80. In 1986 verscheen de Nederlandse vertaling door Ciske Balhan en Wouter Pols. Het boek trok enige aandacht onder universitair-pedagogen maar werd, vooralsnog, geen ‘klassieker’. We zijn nu ruim 30 jaar verder. In de pedagogiek voltrok zich een grote omwenteling: de geesteswetenschappelijke pedagogiek, met haar nadruk op de verbondenheid van opvoeding en cultuur, maakte plaats voor de pedagogische wetenschappen en vooral voor de psychologische benadering van opvoeding en onderwijs. Maakbaarheidsdenken en een neoliberale visie op politiek en samenleving kwamen gelijktijdig op. Onderwijskunde en psychologie bedachten steeds meer instrumenten om opvoedings- en onderwijsprocessen zo soepel en ‘effectief’ mogelijk te laten verlopen.
Vergeten samenhang is opnieuw verschenen. Mollenhauer is in dit boek op zoek naar samenhang tussen opvoeding, onderwijs en de cultuur waarin kinderen opgroeien. Hierbij is de historische dimensie enorm belangrijk. Hij presenteert verhalen en casussen uit het heden en uit voorbije tijden en, niet onbelangrijk, uit niet-westerse culturen. Zo komen levensverhalen van de ‘wilde’ jongen Kaspar Hauser en indianen als Bizonkind Langelans aan de orde. Ook besteedt hij veel aandacht aan afbeeldingen van kinderen en hun (groot)ouders en hoe hierin culturele opvattingen over de ‘status’ en het opgroeien van kinderen naar voren komen.

In het werk van Comenius, met zijn grote plaatjesboek van de ‘hele’ wereld (1658), ziet Mollenhauer het begin van de moderne opvoeding. Dit laat namelijk de wereld nog een keer zien en hiermee doet ‘representatie’ zijn intrede. Het is niet de wereld ‘zelf’ die aanwezig is, maar verbeeldingen ervan: re-presentaties. We doen in het huidige onderwijs niet anders: met talrijke hulpmiddelen de wereld representeren. Maar deze representaties hebben alleen betekenis binnen een bepaalde culturele leefwereld, de ‘presentatie’. Het is wie en hoe we zijn als opvoeders, hoe we het leven voorleven aan kinderen, wat we belangrijk vinden. Presentatie, hoe deze er ook uitziet, is onontkoombaar.
Mollenhauer noemt nog twee andere basisbegrippen: het geloof dat kinderen kunnen leren en de zelfstandigheid van het kind. Het eerste betreft de Bildsamkeit van kinderen: vatbaar zijn voor vorming. Dat is uiteraard de sine qua non van de opvoeding: als opvoeders niet geloven dat kinderen kunnen leren en zich vormen, dan houdt het op. De zelfstandigheid van het kind speelt hier echter ook een rol: het is het kind zelf dat leert en zich vormt; opvoeders kunnen dat niet overnemen. Vormbaarheid en vorming (denk ook aan Bildung) hebben dus betrekking op de zelf-vorming van en door het kind.
Met deze vier basisbegrippen beschrijft Mollenhauer een algemene pedagogiek. En dat is anno 2018 bijzonder. Er is immers op dit moment in ons land niet of nauwelijks sprake van een dergelijke algemene, culturele benadering van opvoeding en onderwijs. Er zijn vele concepten, methodieken enz. Maar zonder een algemene conceptie van de culturele betekenis van opvoeding waaien deze alle kanten uit, versplinteren ze; inderdaad: zonder samenhang. En dat is helaas het geval op veel (leraren)opleidingen.
Mollenhauer sluit af met een vlammend betoog tegen identiteitsdenken: ‘… identiteit bestaat alleen als fictie, maar niet als empirisch vast te stellen feit’ (p. 162). In de huidige tijd zijn we juist erg geneigd om kinderen en jongeren vast te pinnen op identiteit: adhd-er, een kind met een ‘rugzakje’ of ‘achterstandsleerling’. Daartegenover stelt Mollenhauer dat we de mogelijkheden van kinderen, het ‘ontwerp’ van hun toekomst, zo veel mogelijk open moeten houden.

Bij het gesprek was Wouter Pols, initiatiefnemer van deze heruitgave, aanwezig. Het gesprek ging deels over de inhoud, deels over de actuele betekenis ervan. We herkenden een aantal ideeën van Mollenhauer bij andere denkers over opvoeding en onderwijs, zoals Biesta. Diens begrip ‘subjectificatie’ doet denken aan de beschrijving van ‘Selbsttätigkeit’, wat je kunt vertalen met ‘zelfstandigheid’: je verhouden tot je medemensen en de wereld, en wat zich daarin voordoet. Ook het idee dat opvoeders kinderen moeten uitdagen of uitlokken tot activiteit is bij veel pedagogen terug te vinden. Dat is niet zo vreemd: het is een van de kernideeën van de ‘moderne’ pedagogiek die rond 1800 opkwam en die tot op dag van vandaag een ‘regulatief principe’ is in de opvoeding. In het gesprek kwam naar voren of er geen grenzen zijn aan dit pedagogisch activisme; en of, juist ook in deze hectische tijden, kinderen (en opvoeders) wellicht wat rust moet worden gegund. Een andere kritische vraag betreft representatie. Hebben we niet zó veel representaties de school binnengehaald dat dit ten koste gaat van handson ervaringen? Dit speelt vooral op gebieden als expressie (zelf muziek maken is echt iets anders dan een plaatje van een instrument bekijken) en natuur (biologieles kan uit een boek, maar kan het ook zonder ‘buiten’?). En ten slotte herkenden we de enigszins ontnuchterende vraag (die ook Korczak stelde): kunnen we dankzij onze enorme wetenschappelijke en methodische kennis nu beter opvoeden? Het is een bijna retorische vraag die Mollenhauer verderop in het boek als volgt beantwoordt: ‘… het eerste waartoe een pedagoog in staat moet zijn bestaat uit aandacht hebben, kunnen luisteren, en geduldig waarnemen’ (p. 126). En dat is voor een deel ook het antwoord op het probleem van overspannen activisme jegens kinderen en leerlingen. We hoeven hen niet voortdurend aan te zetten (op te jagen) tot activiteit: we kunnen ze ook eens van een afstandje bekijken.
Met dit laatste bevinden we ons met dit boek ook midden in een zeer actueel debat, namelijk over de professionaliteit van de leraar. Het eerste dat we kunnen leren is dat een leraar niet in de eerste plaats een ‘technicus’ is (ingenieur), maar een ethicus: iemand die op basis van een ethos aan het werk is met kinderen en jongeren. Het waartoe, het normatieve kader, de basiswaarden handen en voeten geven, daar gaat het om. Leraren krijgen op dit moment heel andere rollen opgedrongen die ten opzichte van deze kerntaak eigenlijk marginaal zijn, maar in de praktijk steeds dominanter. Het werk van de leraar wordt sterk beïnvloed door tal van uiteenlopende actoren: de overheid, besturen, adviesdiensten en -organen, ouders en economische machten en krachten. Ook de wetenschap vertelt de leraren voortdurend wat ze wel en wat ze niet moeten doen. Er is langzamerhand een gekmakend circus om het onderwijs heen opgetrokken dat enorm afleidt van haar basiswaarden. Mollenhauer signaleerde deze tendens al dertig jaar geleden en liet een tegengeluid horen. Met recht kunnen we nu zijn boek een ‘klassieker’ noemen. Zijn algemene pedagogiek zou hoog op de agenda van lerarenopleidingen en onderwijsinstellingen moeten staan.

Aan leesclub De Leerschool namen deze keer deel: Rikie van Blijswijk, Jeannette Berckenkamp, Piet Hagenaars, Gerard Paardekooper, Wim Burggraaff, Wouter Pols en Joop Berding (verslag).

Abonneren >>
Inschrijven nieuwsbrief >>
Kennispartners >>