van12tot18 agendavan12tot18 webshop
van12tot18 proefabonnementvan12tot18 estafette


btn lezen

curriculum-en-schoolklimaatWat werkt is de combi: curriculum en schoolklimaat

 

door Marianne Boogaard

Burgerschapsonderwijs staat op de politieke agenda, leeft in de media en heeft de aandacht van scholen. Maar: werkt het ook? En wát werkt dan?

Sinds 2006 zijn Nederlandse scholen wettelijk verplicht om actief burgerschap en sociale integratie van leerlingen te bevorderen. Maar hoe zij aan die verplichting invulling geven, dat staat scholen vrij. Dat is enerzijds logisch. Wat ‘burgerschap’ is, hangt gedeeltelijk af van de situatie waarmee de leerlingen te maken hebben, van de actualiteit en van de visie van de school. Maar die vrijheid roept ook vragen op. Zo kun je je afvragen of het onderwerp niet zó belangrijk is dat je niet kunt volstaan met het neerleggen van een ‘inspanningsverplichting’ bij scholen. Een belangrijk doel van burgerschapsonderwijs is bevordering van democratische kennis en vaardigheden van jonge mensen. Zonder dat is een democratische samenleving niet mogelijk. Een belangrijke opdracht dus, die aandacht vraagt, zeker nu de onderwijsinspectie constateert dat de ontwikkeling van burgerschapsonderwijs stagneert en dat de invulling voor veel scholen een zoektocht blijkt. Er gebeurt overal wel iets, maar een duidelijk plan en inzicht in de opbrengsten ontbreken nogal eens. Hoewel de onderzoeksliteratuur wel enige richting geeft, zijn die resultaten nog weinig vertaald naar toepassingsmogelijkheden voor het onderwijs. Wat zijn nu precies de ‘knoppen’ waar je als school aan zou kunnen draaien als het gaat over effectief burgerschapsonderwijs?

Die constatering was aanleiding voor het onderzoek ‘Onderwijs in burgerschap: wat scholen kunnen doen.’ Doel van die studie was om de lessen uit de wetenschap en de praktijk van het burgerschapsonderwijs aan elkaar te verbinden.
We hebben ten eerste in de literatuur gekeken naar de vraag: wat weten we nu over wat werkt, als je actief burgerschap wilt bevorderen via onderwijs? En vervolgens zijn we in de praktijk op zoek gegaan naar ‘inspirerende voorbeelden’ daarvan. De zes schoolportretten die op basis van schoolbezoek, observaties en interviews zijn samengesteld geven een beeld van hoe in het onderwijs vormgegeven wordt aan burgerschapsonderwijs.

De crux is de combinatie: burgerschap in het curriculum én in het pedagogisch klimaat
Eigenlijk laten de conclusies van zowel de literatuurstudie als de schoolportretten zich eenvoudig samenvatten: het gaat om een combinatie van wat er gebeurt in de lessen – en dat hoeven geen expliciete lessen te zijn over ons politiek stelsel – en wat er merkbaar is in het ‘pedagogisch klimaat’ in de school van de visie op en het ‘voorleven van’ democratische kernwaarden in de onderlinge relaties tussen leraren, leerlingen en ouders.

Het hockeyclub-contributie-debat
Eerst maar eens een voorbeeld uit de praktijk van het Minkema College in Woerden (zie ook elders in dit nummer). Dit voorbeeld laat zien wat een school via het curriculum, de leerstof, de lessen kan doen aan burgerschapsontwikkeling. In dit geval, en dat is geen toeval, in het vak maatschappijleer, waar de docent als doel heeft leerlingen in 4-havo op weg te helpen in het begrijpen van waar het complexe begrip ‘verzorgingsstaat’ nu eigenlijk voor staat.
De leerlingen spelen een rollenspel. Het gaat over een stukje van de wereld dat de meesten van hen goed kennen: de hockeyclub.
De kwestie is: er moet contributie betaald worden. Dat spreekt voor zich. Maar ‘het eerste’ heeft wel veel extra voorzieningen en spullen nodig. Moeten alle leden daar dan evenveel aan bijdragen? Of zou het beter zijn als de spelers uit het eerste daar zelf voor betalen? Of moet misschien de gemeente bijspringen? Of zijn er andere constructies te bedenken?

Dat is een mooi dilemma: herkenbaar dichtbij voor de leerlingen, en tegelijk komen er maatschappelijke vragen in naar voren. De docent brengt echter nog meer diepgang aan, hij is uit op multiperspectiviteit door de leerlingen stelselmatig te bevragen op de waarden, principes en keuzes achter maatschappelijke voorzieningen in Nederland. Nadat de leerlingen hun standpunten hebben overdacht en besproken mogen zij hun oplossing en argumenten naar voren brengen, maar de docent stelt daarbij steeds kritische vervolgvragen: Wat als niet alle spelers uit het eerste die hoge contributie kunnen betalen? Wat als de bijdrage juist te hoog wordt voor andere leden? Moet een sportclub voor iedereen toegankelijk zijn, en moet de gemeente bijspringen? Ook voor de leden die gemakkelijk zelf het hele bedrag kunnen opbrengen? Wat betekent solidariteit? Enzovoort. Tot slot legt de docent de link naar de maatschappelijke context en naar politieke stromingen die voor dezelfde keuzes staan en verschillende oplossingen kiezen vanuit een verschillende visie op de verdeling van de welvaart. Nog niet alle leerlingen lukt het om die verbinding te maken, maar zij zijn wel uitgedaagd om de consequenties van hun keuzes te zien.
Een van de leerlingen: ‘De docent maatschappijleer leert ons ook wel over wat er in het boek staat, maar daar omheen moeten wij heel veel dingen zelf doen, en zelf nadenken.’

Burgerschap vraagt: weten, kunnen en willen
Het zal duidelijk zijn dat ook de onderzoeksliteratuur laat zien dat losse, incidentele lessen of projecten veel minder effect sorteren dan een goed doordachte inhoudelijk-didactische doorlopende lijn waarin stelselmatig aandacht is voor het ontwikkelen van kennis, vaardigheden én de attitude van leerlingen. Die aspecten zijn nauw verbonden. Het gaat niet alleen om kennis, maar om het leren nadenken over maatschappelijke en politieke thema’s en de vragen die daarbij horen. Bijvoorbeeld over: hoe zit ons democratisch stelsel in elkaar, waarom zijn er zulke grote verschillen tussen ‘arm’ en ‘rijk’, hebben wij invloed op klimaatverandering? Vaardigheden, die de leerlingen dan tijdens die lessen zouden moeten kunnen oefenen, zijn bijvoorbeeld: het wegen van informatie, discussiëren, reflecteren, vragen stellen zonder meteen te oordelen, en zich verplaatsen in of identificeren met een ander. En als het gaat over het ontwikkelen van een attitude die past bij een sociaal en democratisch persoon, dan moeten die lessen dus ook zo worden gegeven dat leerlingen nieuwsgierig durven zijn, willen stilstaan bij de consequenties van hun keuzes en openstaan voor andere ideeën dan die zij ‘van huis uit’ meekregen. Leerlingen die via de lessen op school dit soort inhouden meekrijgen, blijken later – afhankelijk van de inhoud van die lessen – meer geïnteresseerd in nieuws, beter op de hoogte van politiek, meer plezier te hebben in dialoog, meer bereid te zijn tot stemmen bij verkiezingen, en positiever te staan tegenover de vrijheid van meningsuiting.

De samenleving in school, de school in de samenleving
Een tweede praktijkvoorbeeld laat zien hoe en waarom een open en veilig pedagogisch klimaat op een school bijdraagt aan burgerschapsontwikkeling bij leerlingen. ‘Voor mij is het allerbelangrijkste dat leerlingen zich veilig voelen in de maatschappij. Dat ze mensen durven aankijken en naar hen durven te lachen, dat ze durven uit te gaan van hun eigen kwaliteiten. Iedere leerling kan iets bereiken, binnen zijn eigen mogelijkheden. Iedereen kan iets betekenen voor Nederland en voor zichzelf’, aldus de coördinator Arbeidstraining van De Einder, een school voor praktijkonderwijs, midden in de Haagse Schilderswijk. De Einder wil een tegenwicht wil bieden aan de maatschappelijke uitsluiting die voor veel van de leerlingen realiteit is. Zij leren niet gemakkelijk. Het praktijkonderwijs voelt voor velen als falen. Ze voldoen niet zomaar aan sociale normen, hebben een kort lontje, of laten zich juist al te gemakkelijk aan de kant zetten. En dan wonen ze ook nog eens in een buurt die regelmatig negatief in de publiciteit is. De relatie tussen de leerling en de leraar is op de Einder daarom nadrukkelijk hét vliegwiel in het pedagogisch klimaat. De docenten zijn erop geselecteerd: aandacht geven, luisteren, in gesprek gaan, oprechte belangstelling, negatief gedrag negeren, positief gedrag consequent belonen. Samengevat is alle interactie erop gericht om de leerlingen én hun ouders te laten merken dat zij er mogen zijn. Verantwoordelijkheid, vertrouwen en autonomie vormen de tweede pijler. Leerlingen worden serieus genomen. Ook lastige onderwerpen worden besproken met leerlingen, ook radicalisering en de oorlog in Syrië komen aan de orde. Leren om actief mee te draaien in de maatschappij is de derde pijler. Dat gebeurt als leerlingen gaan stagelopen in de wereld buiten school. Bijvoorbeeld op de Haagse Markt, waar een eigen marktmeester van de Einder is. Doordat zij meedraaien in een echte werksituatie, met echte verantwoordelijkheid, worden ze zelfstandiger. Maar participeren betekent ook maatschappelijke betrokkenheid, dat kan via de leerlingenraad, een rol in buurtactiviteiten, of via het organiseren van acties voor goede doelen. De leerlingen steunen gezamenlijk de schooltijd van twee Roemeense weeskinderen en een school in Oost- Turkije. Het motto van de Einder daarvoor is: iedereen kan iets bijdragen voor een ander, ook als je eigen leven niet bepaald eenvoudig is. Dat haalt de wereld de school in en maakt de wereld van de leerlingen groter.

Burgerschapsonderwijs vraagt ook: voorleven en doen
De onderzoeksliteratuur leert dat een open pedagogisch klimaat inhoudt dat er sprake is van positieve interacties tussen leerlingen, leerlingen en docenten en tussen docenten onderling. Een goed pedagogisch klimaat betekent ook dat leerlingen de ruimte voelen om zichzelf te ontwikkelen, zich gehoord weten. Leerlingen die ervaren dat zij een echte stem hebben in de regels en activiteiten op school, kunnen ervaren dat hun mening ertoe doet. Als er ruimte is voor discussie, vanuit verschillende perspectieven. Als je jouw mening mag geven en met een docent mag verschillen van mening, dan – blijkt uit onderzoek – heeft dat positieve effecten op burgerschapskennis, vertrouwen in een democratische overheid en de medemens. Het draagt bij aan een meer tolerante houding, en aan de durf om te discussiëren, ook over politieke tegenstellingen.

Zes praktische handvatten die werken
Een apart vak ‘burgerschap’ op het rooster is niet nodig. Maar er zijn wel een paar knoppen waar een school aan zou kunnen draaien als zij burgerschapsonderwijs willen bieden dat werkt: (1) een veilig en open klimaat in de klas, (2) structurele aandacht voor maatschappelijke en politieke onderwerpen, (3) de wereld in de school halen, (4) werkvormen inzetten die leerlingen leren om vragen te stellen, te luisteren naar elkaar, (5) gelegenheden bieden om democratische vaardigheden praktisch toe te passen, en (6) helderheid over de kernwaarden waar de school voor staat en daar als team ook naar handelen. In ‘Onderwijs in burgerschap: wat scholen kunnen doen’ zijn voor al die knoppen illustraties te vinden van hoe scholen in het basis- en voortgezet onderwijs ze hebben vormgegeven.

Marianne Boogaard is senior onderzoeker bij het Kohnstamm Instituut in Amsterdam.

Literatuur
Nieuwelink, H., Boogaard, M., Dijkstra, A., Kuiper, E. & Ledoux, G. (2017). Onderwijs in burgerschap: wat scholen kunnen doen. Amsterdam: Kohnstamm Instituut, Hogeschool van Amsterdam en Universiteit van Amsterdam. (rapportnummer 967, gratis te downloaden vanaf de website van het Kohnstamm Instituut).

Abonneren >>
Inschrijven nieuwsbrief >>
Kennispartners >>