van12tot18 agendavan12tot18 webshop
van12tot18 proefabonnementvan12tot18 estafette


btn lezen

het-finse-onderwijs-bestaat-nietHET Finse onderwijs bestaat niet

… maar er gebeuren wel bijzondere dingen

Onderwijs in Finland kan altijd rekenen op veel belangstelling. Er zijn al heel wat tv-documentaires over het land uitgezonden en als er nieuws is – bijvoorbeeld dat ‘alle vakken worden afgeschaft’ – wordt dat gretig doorgetwitterd (en vaak na een paar dagen weer genuanceerd). Hoe is het vandaag de dag gesteld in dit onderwijs-walhalla? Van Twaalf tot Achttien kreeg de gelegenheid om een aantal ‘insiders’ te spreken.

De soundbytes klinken aantrekkelijk: weinig huiswerk, kortere schooldagen en -jaren, minder losse vakken, minder lesuren voor de leraar, onderwijs in modules, op latere leeftijd kiezen voor een specifieke school en switchen en stapelen mag. Bob Hofman is net terug van een bezoek aan Finland. Hij is actief in onderwijs-samenwerkingsprojecten over de hele wereld en organiseert studiereizen. Het Finse onderwijs volgt hij al 25 jaar op de voet.

Wat doen ze in Finland anders dan in Nederland? Wat zijn die bijzondere keuzes die Nederlandse onderwijsmensen zo bewonderen?
Bob Hofman: ‘Laat ik beginnen met benadrukken dat HET Finse onderwijs nog minder bestaat dan HET Nederlandse onderwijs; dat geldt voor het curriculum en voor de organisatie. Er is een nationale Board of Education (vergelijkbaar met ons OCW) die beslissingen neemt over wat kinderen moeten leren, maar alle 320 Finse gemeenten hebben hier ook zeggenschap in; en alle scholen hebben de vrijheid om eigen keuzes te maken en zaken zo te regelen als hun goeddunkt. Dat moet je altijd in je achterhoofd houden als je praat over onderwijs in Finland. Het belangrijkste is – wat mij betreft – dat Finse kinderen tot en met hun 15e bij elkaar in de klas zitten. Pas daarna maken ze de keuze: ofwel beroepsgericht onderwijs (mbo) ofwel een upper secondary school of lukio (vwo). De keuze-knip ligt drie jaar later dan in Nederland. Maar zelfs dan is die knip niet zo strikt als bij ons. Kinderen kunnen ook altijd een of meer vakken volgen op een andere schoolvorm; tussen technische hogeschool en universiteit is ook veel uitwisseling mogelijk en ook op je 25e ben je welkom om alsnog op de universiteit te beginnen. Als je het entree-examen haalt (en eventueel ontbrekende kennis ophaalt in extra cursussen) staat de deur altijd open, wat je onderwijsachtergrond ook is. Ook als je eerst geleerd hebt voor loodgieter, kun je daarna naar de universiteit – als je dat wilt. Er is de laatste tijd wel een verschuiving gaande van (dure) entreeexamens naar toelating op basis van het resultaat op de upper secondary school.

Een ander verschil is de inclusiviteit in het Finse onderwijs, elk kind hoort erbij. Diversiteit wordt gezien als een verrijking voor iedereen, niet als een probleem voor de leraar. Er zijn wel wat aparte scholen voor kinderen met een fysieke, auditieve of visuele beperking, maar voor de rest zitten alle kinderen bij elkaar in de klas. Zo’n klas vormt een sociale eenheid, kinderen trekken met elkaar op en helpen elkaar. Voor verschillende verplichte vakken bestaan niveaugroepen; en kinderen kunnen extra vakken kiezen die bij hun talenten en belangstelling passen. Er zijn geen aparte vmbo-/havo-/vwo-scholen vanaf 12 jaar. Ik vind dat heel bijzonder, dat echt alle kinderen erbij horen en dat het onderwijs georganiseerd wordt rondom het welbevinden, de behoeften en de ontwikkeling van elk kind. In Nederland is het – kort door de bocht gesteld – precies andersom: er is een heel gedetailleerde onderwijsstructuur waar kinderen in moeten zien te passen.

Hoe zit het met het nieuwe curriculum waarover we de laatste tijd veel lazen? Is dat nu wel of niet ingevoerd?
Bob: ‘De elementary schools hebben inderdaad sinds september een aangepast curriculum; het gaat daarbij om de 7- tot 15-jarigen. Aan het nieuwe curriculum voor de upper secundary schools (16 tot 18 jaar) is drie jaar gewerkt door schoolleiders en adjuncten. Het beoogde om minder losse vakken verplicht te stellen, zoals godsdienst, filosofie, Zweeds, Fins en Engels. En om de leerstof te clusteren in geïntegreerde leerstofdomeinen, zoals ‘talen’, ‘wetenschap in de wereld’, ‘milieu’ en ‘humanities’. Onderdeel van dit plan was ook om programmeren op elke school in te voeren, niet als apart vak zoals in Engeland, maar geïntegreerd.
Dit plan is grotendeels gesneuveld om politiek-financiële redenen, wat betekent dat het niet landelijk verplicht wordt. Maar door de organisatie van het onderwijs in Finland mogen gemeenten, scholen en individuele leraren er wel voor kiezen om het (gedeeltelijk) in te voeren.
In Finland hebben scholen en leraren meer bewegings- en keuzevrijheid. Ik heb een paar heel mooie voorbeelden gezien van hoe schoolleiders ‘er zijn voor een kind’ boven de organisatiestructuur stellen en tegelijk proberen hun leraren niet te overbelasten. Op de Saunalahti school in Espoo bijvoorbeeld is de directeur tegen ouderavonden met tienminutengesprekjes, ze vindt dat leraren ’s avonds moeten kunnen ontspannen om de volgende dag weer fris voor de klas te staan. Op die school zijn er na elk trimester presentatie-dagen met de ouders. Leerlingen bereiden dat voor met hun mentor; ze reflecteren in een gesprek van een half uur op wat ze geleerd hebben dit trimester en wat ze de komende tijd willen gaan leren. Ouders weten dat ze drie dagen per jaar op school verwacht worden. Op een andere school komen op vaste tijden gastleraren (vioolbouwer, judoleraar) voor de klas, zodat leraren zelf tijd hebben voor overleg – tijdens de schooldag.‘

Tuomas Raitio is guidance counselor op Lumon Lukio, een upper secundary school (vergelijkbaar met bovenbouw vwo) in Vantaa; hij was (op uitnodiging van het leerlab Schoolorganisatie van Leerling2020) in november op werkbezoek in Nederland. Guidance counselor is een kruising tussen de mentor en de decaan in Nederland. Hij begeleidt leerlingen individueel en in groepen. De eersteklassers bijvoorbeeld schrijven in zijn cursus een essay over wie ze zijn en hoe ze zichzelf zien; een essay over wat hun dromen en doelen zijn; en een carrièreplan. Iedere eerstejaars doet een digitale psychologische test om te helpen nadenken welk beroep bij hem of haar zou passen. Tuomas helpt hen nadenken over keuzevakken en helpt hen plannen, of – later – bij het kiezen van een studie.

Wat doen al die schijnwerpers met het Finse onderwijs?
Tuomas Raitio: ‘Het is natuurlijk eervol dat zoveel mensen geïnteresseerd zijn in – en een voorbeeld willen nemen aan – hoe wij ons onderwijs hebben ingericht. Als groepen leraren, schoolleiders of leerlingen uit verschillende landen komen kijken en uitwisselen, is dat over het algemeen prettig en zinvol. Soms realiseren wij ons pas dat we bijzondere keuzes gemaakt hebben door de vragen van buitenlandse collega’s. Maar alle mediaaandacht en internationale roem heeft ook iets ongemakkelijks. We moeten uitkijken dat we niet zelfgenoegzaam worden omdat we al goed zijn; dan kan al die bewondering verworden tot een obstakel voor de ontwikkeling en verbetering van ons eigen onderwijs.
De PISA-ranglijst kan ook zo werken: er zijn wel landen die hoger scoren, maar dat zijn voornamelijk landen met heel prestatiegericht onderwijs, waaraan we ons helemaal niet willen spiegelen. Tevreden achteroverleunen als een dikke kat is gevaarlijk: ons eigen Finse Nokia deed dat net iets te lang, miste de smartphonestrijd en ging ten onder.’

Want er zijn dingen die beter kunnen?
‘Jazeker. Als we echt eerlijk zijn, constateren we dat de basis van ons onderwijs inderdaad goed is; onze leerlingen zijn goede ingenieurs en hebben goede theoretische knowhow. Maar de andere helft van de waarheid is dat ze minder zijn gestimuleerd in creatief denken, in oplossingen bedenken, in innovatieve nieuwe producten verzinnen en minder marktgeoriënteerd zijn. Alle roem en aandacht ten spijt, er valt zeker nog veel te verbeteren. Slim zijn en veel kennis hebben is in deze moderne tijd niet genoeg; je moet die kennis ook creatief kunnen gebruiken.’

De hoge opleiding van jullie leraren spreekt tot de verbeelding…
‘Daarnaar wordt vaak geïnformeerd, ja. Elke leraar heeft een master-degree in een of meer vakken en doet een jaar pedagogische studie. Verder zijn er veel nascholingscursussen en trainingssessies, elke maand wel een dag of een paar dagen; die zijn soms landelijk georganiseerd, of door bijvoorbeeld de gemeente Helsinki, de vereniging van Engelse leraren of de school zelf. Bezoekers uit Nederland vragen ons weleens of die bijscholing verplicht is en wie dat controleert. Het is zelden formeel verplicht, maar het is duidelijk dat elke leraar erheen gaat. De professionele houding van Finse leraren is: ‘Be where the other teachers of your subject are; be in the current and participate''.

Zijn er dingen uit het Nederlandse onderwijs die je ook wel in Finland zou willen zien?
‘Finland wordt geroemd om de kleine hoeveelheid toetsen en testen. Maar het toetsgerichte in Nederland, het steeds informatie willen verzamelen over wat er geleerd is, heeft ook iets aantrekkelijks. Doelen stellen en evalueren of die gehaald zijn, informatie verzamelen, vergelijken van de resultaten van je eigen lessen met die van een collega, discussies over de beste lesaanpak en over wat er valt te leren uit de cijfers, dat zijn zaken die wij in Finland best wat meer zouden mogen doen.’

Bob Hofman heeft ook nog een laatste punt: ‘In Finland worden erg veel mensen en middelen ingezet voor kinderen met een beperking of met speciale behoeftes en dat is prachtig. Maar wat betreft de slimme leerlingen, de ‘bright and brilliant’, kan Finland weer leren van Nederland, vind ik. Die kinderen worden in ons onderwijs beslist meer uitgedaagd.'

Carla Desain is freelance onderwijsjournalist. Met dank aan Harry Verkoulen en Markku Himanen voor hun voorbereidende gesprekken.

Abonneren >>
Inschrijven nieuwsbrief >>
Kennispartners >>